is toegevoegd aan uw favorieten.

Het landsheerlijk bestuur in het sticht Utrecht aan deze zijde van den IJsel gedurende de regeering van bisschop David van Bourgondië, 1456-1496

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

Voor het meerendeel zijn de maarschalken afkomstig uit den adel van het land van Utrecht, dragers van goedUtrechtsch klinkende namen, als van der Horst, van Zuylen, wten Ham, wten Eng, van Bouchout, van Renesse, van Nyenrode. Ook de Utrechtsche patriciërs-familie Freyse leverde twee maarschalken van Amersfoort en Eemland, waarvan één, Hendrik Freyse van der Cuenre, in de Utrechtsche ridderschap opgenomen schijnt. Een parvenu te midden van zijn aristocratische ambtgenooten is Tyman Herbert geweest, die zijn loopbaan als pander in het land van Utrecht begon en zich opwerkte tot raad, maarschalk van het Oversticht, kastelein van het slot ter Horst, schout en dijkgraaf te Renen, In 1479 verklaren de Staten hem onbevoegd tot het kasteleinschap van het slot ter Horst 1), vermoedelijk omdat hij een vreemdeling was. Eveneens in strijd met den Landbrief, die immers welgeboren mannen voor ambtenaren eischte, waren de bastaarden Hendrik van Nyenrode en Philips van Bouchout, die trouwens slechts tijdelijk voor een uit wettigen echt geboren lid van hun familie het maarschalkambt waarnamen.

Andere vreemdelingen komen onder de maarschalken niet voor, zoo men tenminste daartoe niet rekent de beide leden der Overijsselsche familie Mulert, die! het ambt bekleed hebben.

Nog moeten wij de bezoldiging van het ambt behandelen, daar wij dan tevens aan een der, naar moderne begrippen, grootste misstanden in de ambtelijke administratie van bisschop David raken: het verpanden der ambten, waardoor het bezetten daarvan voor den landsheer een middel tot het verkrijgen van gereed geld, voor den ambtenaar een solide geldbelegging werd. Bijna alle ambten, van de hoogste tot de laagste, vinden wij verpand, waarin men in de latere middeleeuwen blijkbaar niets ongeoorloofds zag 2). Trouwens

1) Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XIV 261. Off. fol. 4v staat de commissie van zekeren Johannes Harboirt als bode van het consistorie super Vechtam, 1456 Oct. 1 (Vgl. Joosting en Muller, a.w., VI 154). Chic was de familie stellig niet.

2) Nog in de 13de eeuw dacht men er anders over. Gedurende de