is toegevoegd aan uw favorieten.

Golgotha

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

het immers, die de wacht had aan den Benjaminstoren, toen men den inboedel van mijn vader heimelijk vervoerde naar Antiochië?"

„Ik herinner me. Jij bent de dochter van den wapensmid uit het Kaasmakersdal. Ik weet er alles van. Het was Psammenitus, een Alexandrijnsche schacheraar, die dat smerige baantje voor den opperpriester waarnam. Vuil volk, die Egyptenaren en Joden, meisje, ofschoon ik geloof, dat de laatsten nog oneindig gemeener zijn dan de eersten. Jij had tenminste hier al lang vertrokken moeten zijn. Waar kom je vandaan?"

„Uit Dioscurios in Colchis."

„Daar ben ik bekend. Het land, waar de vrouwen nooit leelijk worden. Waarom ben je niet teruggekeerd?"

„Ik had immers geen geld. Eljakiem had mij in de grotten der melaatschen doen jagen."

De centurio besefte, dat hij wreed en onhandig was, een diepe plooi vertoonde zich tusschen zijn wenkbrauwen en hij vond geen anderen troost dan:

„Ongelooflijk smerig volk, die Joden."

Het gesprek stokte eenige oogenblikken, in plaats van hen tot elkander te brengen, had het juist eenige verwijdering veroorzaakt. Zij drongen nog niet door tot elkanders gedachten, ofschoon zij beiden met overgroote nieuwsgierigheid jegens elkander vervuld waren. Loeka staarde naar den grijzen muur van de Synagoge, waaruit het geluid van kinderstemmen tot haar doordrong, die in koor Wetspreuken opdreunden, van tijd tot tijd afgewisseld door de stem van den onderwijzer, die de regels voorzegde, welke dan zeurig werden nageschreeuwd. Cajus, die over den stadsmuur leunde, beschouwde het landschap en volgde zonder belangstelling een karavaan, die aan zijn voeten door het dal Hinnom voorbij trok met het kennelijk doel om straks door den Sjangar Ha-Gal, de Dalpoort, Jeruzalem binnen te trekken. Zijn gedachten bleven zich echter