is toegevoegd aan uw favorieten.

"De meerdere"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

allen tijde bereid te zijn. Hij, die vroegtijdig bemerkt, en dit mag natuurlijk niet op losse gronden berusten, maar behoort in overleg met leiders en ouders terdege te worden vastgesteld, dat zijn nieuwgekozen beroep zich niet aanpast bij zijn neiging, zijn aanleg of psyche, doet in het belang van de weermacht en van zich zelf verstandig, zoo spoedig mogelijk een andere richting in te slaan. De meerdere moet als gekozen raadgever daarmee, na weloverwogen waarneming,- rekening houden. Haal nooit iemand over, bepraat hem nimmer om tegen zijn individualiteit in, op den onjuisten weg voort te gaan, ge overschrijdt daarmee, al ware het dan ook met de beste bedoelingen, de grenzen van uw verantwoordelijkheid.

Toch kunnen wij als leidend meerdere voor den ten deele maatschappelijk verongelukte nog een groote steun zijn en er toe meewerken, dat hij tot andere levensopvattingen komt. De weermacht, waarbij alles met orde en regelmaat gaat, waar de gezonde tucht, dit kan toch werkelijk niet genoeg herhaald worden, besturend en regelend werkt, is dikwerf de school voor verbetering van dergelijke maatschappelijke schipbreukelingen. Onze z.g. moderne ideeën in de weermacht dulden nimmer tuchteloosheid of slap gedoe en gelanterfant, doch willen goede tucht met milde, vertrouwen schenkende en eischende opvattingen, in overeenstemming met de opvattingen, welke heden ten dage in elke wetenschappelijke samenleving van beschaving en orde, heerschende zijn.

De historie leert ons welke wijzigingen ons krijgsmansberoep in den loop der tijden heeft ondergaan, reeds vanaf de vroegste ridderschap tot heden.

Thans nemen wij een geheel ander standpunt in. Nu geldt niet de vraag wat men is, maar hoe men is. Niet alleen bij de keuze voor ons militaire beroep, maar ook overal, waar wij in de weermacht personen voor het vervullen van betrekkingen en posten bestemmen, behooren wij rekening te houden met de persoonlijkheid van het individu. Het aanwijzen van de z.g. baantjes in cantine of iets dergelijks behoort niet uitsluitend aan den sergeant van de week te worden overgelaten. Dit heeft menig zwak-