is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtwaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«5

levermos en fijne vrouwehaarvarens, moest een waanzinnige kluizenaar, half heilige en half toovenaar, gewoond hebben. En het was een teleurstelling, toen een alledaagsch damhert door de struiken kwam, in plaats van de mystische melkwitte ree.

Frans at zijn sober middagmaal, geleund tegen een bemosten, hollen beuk, waarin een zwerm van wilde bijen zijn nest had gemaakt.

De warmte, het aangehouden accoord van het veeltonig gonzen en de ongewone vermoeienis van het klauteren hadden hem slaperig gemaakt en zoo haalde hij op het dichte sterrenmos de schade van den nacht in.

De zon stond al laag (de stralen spatten in rood en groen vuur terug van goudglansvederigen fazantehaan, die laag over 't eikenhakhout scheerde) toen hij wakker werd. De wereld scheen meer dan ooit een sprookje. Op de open plek van gebarsten leem vóór hem, te midden van veenbessenstruikjes, was een feeënring, een ruwe cirkel van frissche graspollen, waarbinnen de elven in het maanlicht dansen. Misvormde kabouters bevolkten de schaduw omtrent de knoestige boomwortels en undines glinsterspartelden in de golfjes van de beek. Het scheen Frans, alsof hij de taal der dieren vèrstond; wist wat de Vlaamsché gaai krijschte hoog in den wilden appelboom en wat de eekhoorn gorgelde, opgeschrikt, terwijl hij de fijne tanden wette op een ouden hazeschedel. Alles wat Kate's moeder verteld had over de moeraslichtjes, die den verdwaalden reiziger in zijn verderf lokken, over de machtige geesten van het gebergte en over de spookruïnes op de rotskruinen, leek plotseling geloofwaardig. Het was de zinnentroebelende illusie van een oogenblik. Hij stond op en ging op weg naar zijn kosthuis terug, nog wat soezelig en schrikkerig. Maar wat hij in de schemering nu en dan achter de hondsrooshagen meende te zien sluipen, was geen geest,