is toegevoegd aan uw favorieten.

De eerste mei

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlak naast een smidse; hoe licht had er niet een vonk in kunnen vliegen, zooals nu ook zeer zeker gebeurd is — dat had ik moeten weten — daarvoor ben ik smid — daarvoor ga ik eiken dag met vuur om — dom van me Gretchen, maar laten wij daarover ons nou niet nog beroerder maken; 't is gebeurd en of jij en ik nou allebei zeggen, dat het onze schuld is, 't helpt ons niks, 't brengt ons geen stroospier verder, daar bouwen wij de boel niet mee op." —

„ Sapristi, wat heb ik het koud"; nieuwe rillingen, die over hem glijden, de tanden klapperen, de schouders schokhuiveren, 't voorhoofd brandgloeit; een looden slaapgevoel drukt zijn oogleden ter neer.

,,Ik ben niet goed vrouw; ik ga maar wat in bed liggen."

„Wat heb je dan," met angstigen schrik.

„Zoo koud, och God in eens zoo koud; ik geloof, dat ik de koorts heb; 't zal morgen wel weer beter zijn, als ik het maar eerst weer wat warm heb."

# *

't Is den volgenden morgen niet beter.

Een scheurend gerochel uit de droge keel; een geheel zwak, krachteloos zijn, dat hem belet de armen en beenen te bewegen; 't is hem onmogelijk om op te staan.

De ontboden geneesheer bevindt een hevige longontsteking.

90