is toegevoegd aan uw favorieten.

De eerste mei

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schatten, die tnj met volle handen in z'n zakken steekt.

Eensklaps een gedaante voor hem, flauw verlicht door matbrandende lantaarn... hij... hij verd... nog; een chaos van gedachten, die bliksemen door z^jn brein; ze zullen het dus weten, dat hij een dief is geworden; ze zullen zijn schande kennen, allemaal, het geheele dorp, gansch Roosdaal — Gretchen, Jeangske, Marieke ook; ze zullen zien, dat ze hun man en vader tusschen twee marechaussées over den publieken weg naar de gevangenis brengen... dat nooit, nooit, en zijn vuist balt zich vast, krampachtig om het nog geopende mes; hij stort zich op dat loeder, den eenigen getuige van zijn misdrijf, de eenige, die hem kan verraden... een zwakke stoot met de nog spierloozen arm en dan voelt hij klauwende, wringende vingeren om zijn nek, die het uitgeputte lichaam neerduwen met een greep, waartegen hij nog niet de kracht heeft zich te kunnen verzetten.

Dof, wazig in zijn suizende ooren dat schel hondengeblaf, dat hoog hulp roepen en schreeuwen, ras gevolgd door het geluid van klipklappende klompen en stemmenrumoer en die kerel altijd op hem, schier dichtknijpend zijn strot met die satansklauwen.

Dan licht, hel schitterend; een verbaasd gesis, een verwonderd, verachtelijk uitroepen: „Jusus, de smeed, de smeed Peters, wè hauw dat oets

117