Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Flinke, robuste vrouw, dat wijf van hem, dat schandaal, z'n trouwe helpster bij al zijn misdrijven, alzoo ook een dief, maar buitendien ook nog een liederlijk vrouwmensen, een slet, dat zich met andere kerels afgaf, als haar man in de kast zat.

Ze geneerde er zich zelfs niet voor om op klaar lichten dag jonge boeren te lokken, hen naar binnen te roepen in haar hol — het gemeene dierage — ze moest haar kinderen toch te vreten geven en zelve ook vreten, zooals zij zeide tegen ieder, die het hooren wilde — zij konden toch niet allemaal van den honger crepeeren, ten pleziere van de witten of de garde champieters, die haar vent voor zoo'n paar onnoozele hazen en konijnen weer in de nor hadden gedraaid, die verdoemde loeders, die lafbekken, die niet de courage in hun zielement hadden om tegen hem te vechten man tegen man, maar altijd met hun tweeën of drieën; goed verborgen achter boomen, in kuilen of in bosschen op hem loerden, de geladen revolver of 't geweer in hun hand — maar wacht maar, den een of anderen keer zou hij het em wel lappen om zoo'n paar van die kanjers naar de hel te sturen, zonder dat ze den tijd zouden gehad hebben om zich door zoo'n hemeldragonder in wit hemd en met zoo'n glazen ding in z'n pooten, de olie op hunne smoelen te laten smeren — daar konden zij donder op zeggen.

Geheel anders dan de ouders, hun dochtertje Anneke, twaalfjarig kind, met groote donker fluweelen oogen, waarin waas van diepen weemoed — 'n recht gelijnde neus boven de dunne rose lippen, waaronder parelen de roomwitte tandenrijen; 't glanzend donker haar golvend op het hooge

Sluiten