is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderen hunner ouders

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

Slechts tranenvolle oogen, welke zij naar hem opheft.

Met schrikvolle angst tuurt hij naar dat smartgelaat, dan weer aangegrepen door haar schoonheid: ,,'t spijt me Mademoiselle, voor wat er is gepasseerd, ik vraag u wel om verschooning" haar toestekend de hand.

Geen bewegen in haar.

„Wilt u soms liever weggaan — u bent natuurlijk volkomen vrij — tegen uw wil mag ik u niet hier houden."

„Weggaan" heeft hij gezegd.... weggaan, weer daar buiten, inde sneeuw, weer hetzelfde van.... toen.... dat niet, dat niet.

Met meer vertrouwen bezield door haar niet antwoorden: „maar zeg dan toch wat, ma chère, wil je weggaan?"

Een flauw neenschudden met hem ontwijkende oogen.

„Niet? — wel dat doet mij plezier, het meest, omdat het een bewijs voor me is, dat je niet meer boos op me bent — dat zou me erg veel leed gedaan hebben, maar dan moet je me ook de hand geven, ten teeken, dat je me vergiffenis schenkt.

Trillend steekt ze hem hare vingeren toe.

„Ziezoo" terwijl hij dezen met warmte drukt — „nu zijn wij goede vrienden niet waar; nu kunnen wij samen ook eens praten — ga daar eens zitten, daar op de canapé," terwijl hij plaats neemt op een stoel tegenover haar. En nu moet je eens beginnen met mij te vertéllen, waar ik je koffer kan laten halen; je zult toch zeker wel je kleeren willen hebben.

Hemel — daar heeft zij niet aan gedacht.... haar koffer.... bekennen, dat zij niets meer heeft, dat ze haar kleeren heeft verkocht om niet dood te gaan van den honger — dat nooit.