Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te koop, en Prutske moest het zonder fopspeen stellen.

Vier jaar heeft het kind gewacht eer het een witten boterham te zien kreeg, om van andere lekkernijen niet te spreken — 't was alsof die dingen nooit bestaan hadden! En met al die ellende, in de bekrompenste toestanden, waar angst en kommer gedurig over de omgeving woog, was Prutske als de blijde zonnestraal, gekomen uit eene streek waar rampspoed en zorg onbekend waren en ontbering nooit bestaan had. Van ginder uit scheen het kind de blijdschap en de welgezindheid meegebracht te hebben, waarvan het den glans in de blauwe kijkers droeg en den zang in den hooggestemden belleklank van zijn kristalfijn stemmetje.

Waar andere borelingen bij de intrede hun eerste wee uitschreien, kriepen en kreunen, lag Prutske van eersten af te schateren en te kraaien van pret, stak naar elk end een de armpjes uit, en tot in den slaap, behield het kind den glimlach eener onverstoorbare welgezindheid op zijn rozeblond gezicht. Zijne oogen hadden de helderheid van diep bronwater en in heels kinds doening was ietsknoddigs dat eene guitige lustigheid te kennen gaf — eene snoezige arglist en onbevangene argloosheid tevens.

Met meer dan kinderlijken wellust lagPrutskeop deachterwarege's schoot en zoo gauw het de deugd der warmte voelde, (al was het maar bij eenschamel houtvuurtje), rekte 't de naakte ledematen, klepelde met de beenen en was blij verrast telkens zijne handjes de eigen voetjes te grijpen kregen. Nog maar rechts uit den bundsel verlost, hield Prutske er een spelletje op na: schoorde zich op het achterhoofd en de hielen, spande de beenen strak, boomde buik en borst omhoog en liet zich dan ineens neerploffen. Dat herhaalde het sporrewaan zoolang tot het van 't hoofdeind

8

Sluiten