is toegevoegd aan uw favorieten.

Prutske

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voudig: de een moet zich verstoppen terwijl de ander de schuilplaats opzoekt en er den verschol ene tracht te verrassen. Prutske houdt er in deze echter heel zonderlinge princiepen op na, — zij maakt namelijk geen verschil tusschen „weten" en „simuleeren", — volgens haar opvatting zou Vader altijd moeten gebaren dat hij niets weet, niets ziet. Nadat Prutske eenige malen in hare schuilplaats ontdekt werd, komt zij, als de argeloosheid in persoon en vraagt heel gemeenstig:

— Vader, nu moet gij me eens een heel goed holletje wijzen... waar gij me met vinden kunt!

In 't verduiken doet Prutske lijk de struisvogels: als haar hoofd maar verbórgen is, komt het er voor de rest zoo zeer niet op aan. Het beste middel om Prutske gauw te vinden is: luidop te zeggen waar men zoekt, wat menziet en te donderen en te tempeesten: waar den blinder dat kallefoetert je wel mag verdoken zitten! Dan verraadt Prutske gewoonlijk zich zelf omdat zij het luid uitproest, 't Meest » pleizier heeft Prutske echter wanneer Vader op een verkeerd speur geraakt, gaat zoeken waar zij niet te vinden is, en wel in de onmogelijkste plaatsen: in 't sleutergat, in eene sigarenkist, achter de bloempotten, in den aschbak van de kachel of in moeders naaibakje... Als zij eindelijk op haar nest betrapt wordt, zit zij daar, ineen gedoken, met de gebalde vuistjes tegen den mond geduwd om 't gichelen te bedwingen. Maar dan protesteert zij luidop:

— Ja maar, Vader, als gij me hoort lachen moetgij toch heel aan den anderen kant gaan zoeken!?

Na 't avondeten heeft Prutske daarenboven nog, als buitengewone afwisseling in hare dagelijksche bezigheid, — in den zomer — de wandeltoer en te velde, met Fox en Puck als gezelschap, en — in den winter — de vertel-

91