is toegevoegd aan uw favorieten.

De ondergang van het dorp

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor den kleinen kring der Aarloose kuituur was de ommegang een jaarlijks schoonheidsgenot. De kunstenaars bewonderden het Katholicisme als een ver en vaag poëem, waarvan zij den zin niet meer verstonden achter den bedwelmenden klank. Zij zagen er al hun bekenden onder de dorpelingen, hun modellen, hun minzame leveranciers, in een vreemde maar schonere sfeer. Zij vermoedden dat de ontaarding, wellicht het verdwijnen dezer oude traditie niet ver meer was. Zij weken terzijde, in nieuwsgierigen eerbied.

Achter den veldwachter ging burgemeester Vetkamp met gebogen hoofd. Hij prevelde zijn gebeden, maar hij dacht aan de nooit-gedoofde vete der erfgerechtigden, aan de moeilijkheden die wellicht dit voorjaar zouden komen, als zijn ambtgenoot van Nierode nieuwe maatregelen bij het scharen nam. Het ontrustte en bedroefde hem; want hij was zelf gerechtigd tot het gebruik der gemene heide- en weidegronden en bleef toch ook, als ambtenaar van den staat, niet blind voor het belang der gemeenschap. Hij verlangde naar het einde der plechtigheid, naar zijn brandewijntje dat hem altijd troostte in twestrijd en ergernis.

Vrouwen en meisjes kwamen met wiegenden tred, de handen gevouwen over den schoot. De doofstomme Marretje Nalis liep voor moeder Tuinder; zij bewoog de lippen, zoals zij de anderen zag doen; zij bad zonder woorden, met een warring van beurtelings heftige en vaag-dromende gevoelens, voor haar kind dat zij zelden meer zag, dat zij verstoten dacht door de Moederkerk; zij bad vervloeking over den slechten man die haar overweldigd had; het angstige beeld van dien winternacht, zo veel jaren geleden, vergat zij nooit. Schichtig keek zij nu-en-dan om naar het strakke rouwkleed van moeder Tuinder; zij wist wel waar die bidden ging,.... op het graf van Kobus.

112