Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelaten, dat bij het dalen van den druilenden dag van duisternis was volgeëbd.

De waard van het Scippershuis, die gaarne omGods-wil den eenzamen zwerver het brood en het water had gelangd — en gereedelijk hadde hij méér geschaft, zoo niet de ander met stroeve verwerping al wat den pelgrim onpassende weelde is, had geweigerd — kwam eens om den hoek kijken, en deed een hernieuwde poging tot gesprek. Want zelfs gasten van wie hij werkelijk voordeel genoot, waren hem in de vale winterdagen meer nog om het vertier dat ze brachten, dan om het gewin, welkom. Doch van dezen monnik of pelgerijn, wat hij dan wezen mocht, van dezen grijze met zijn warrigen harenkop had hij bijster weinig wil. Op de verhaal van wedervaren uitlokkende vraag, waarheen de reis voerde, had de man met edelmans-hoo vaar dij kort en hoog geantwoord, dat hij nog vóór den nacht te Utrecht wilde zijn; — meer niets. En toen had bij dadelijk met een beweging die blijkelijk bediedde dat het gesprek uit was, het hoofd weer afgewend, en had verder al den tijd strak zitten staren over de al spokiger sneeuwvlakte onder den grijzen, gestaag verduisterenden hemel, roerloos als een beeld. Zoo had hij al ruim een half uur gezeten; en na overleg met zijn huisgenooten kwam dan nogmaals de waard eens om den hoek, en vroeg:

„Gij zift wis van plan veranderd ? — Want nu nog in den nacht tot Utrecht gaan, ware dwaasheid. Mijn wijf

8

Sluiten