is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de geschiedenis van het toezicht op het stoomwezen in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

hetzij door den Minister hetzij door den hoofdingenieur: onder meer betrof zulks meermalen de waterpijpketels.

De zoogenaamde Root's ketels — van Duitsch fabrikaat — in 1876 nog „ garantirt inexplosibel" — werden ten onzent geweigerd wegens gedeeltelijke toepassing van gietijzer bij de constructie. Op een rekest — nog al van eene kamer van Koophandel — om deze ketels wel te mogen bezigen, o.a. op grond van kolenbesparing, werd afwijzend beschikt.

Hetzelfde deed zich voor bij de eerste ketels van den Belgischen fabrikant de Naeyer, en werd zijne constructie alleen .toegestaan wanneer de gegoten ijzeren deelen door andere van smeedbaar gietijzer werden vervangen. Dat zulks praktisch zeer wel uitvoerbaar was, bleek wel daaruit dat reeds jaren te voren bij Belleville ketels „fonte malléable" of smeedbaar gietijzer toepassing had gevonden. Natuurlijk maakte zulks den de Naeyer-ketel eenigsints duurder.

Dat men in den aanvang der waterpijpketel-periode niet te gemakkelijk is geweest, was wellicht oorzaak dat deze ketels ten onzent althans in den aanvang niet die uitbreiding verkregen als in andere landen, doch ongetwijfeld ten bate van de veüigheid. Want de waterpijpketels waren in dien tijd nog alles behalve „onontplofbaar", eer het tegendeel.

In latere jaren werd veel meer zorg aan de constructie en vervaardiging besteed en behooren ongelukken met waterpijpen — die in den aanvang veelvuldig voorkwamen — dikwerf met noodlottigen afloop voor machinisten en stokers, allengs tot de zeldzaamheden.

Een zelfde bezwaar als bij de Root's en de Naeyerketels deed zich in 1884 nog voor bij de invoering der eerste ketels volgens Babcock en Wilcox; ook hier vond gietijzer onnoodige toepassing, al was de ketel door zijne