is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de leer der waardevastheid van het geld

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WAARDE VAN HET GELD.

79

fend op de prijsvorming, tevens moet aangeven, op welke hoogte dan in elk bijzonder geval het disconto moet staan; anders is de theorie der geldcreatie waardeloos. Nu geeft Bendixen wel in een zijner latere geschiften enkele zeer vage regelen voor de discontopolitiek, maar deze komen neer op niet meer dan een beroep op de bekwame leiding der circulatiebank. 'J Reeds elders betoogde ik, dat men ook zonder het gouden pantser, waarin wet of statuut thans de circulatiebanken meestal knellen, de geldcreatie uit praktisch oogpunt zeer wel aan het beleid der bankdirectie zou kunnen overlaten, maar dat de theorie hiermede niet tevreden kan zijn.») Zij moet aantoonen, welken invloed onder gegeven omstandigheden van een bepaald disconto zal uitgaan; kan zij dit niet, dan moet zij een non-liquet uitspreken. In geen geval echter is de conclusie gerechtvaardigd, dat beperking der geldcreatie tot disconteering van warenwissels op zichzelf allen invloed van factoren van de geldzijde zou uitsluiten. Inhoever bovendien Bendixens stelsel, in verband met de tot nu toe niet door de wet geregelde geldcreatie der particuliere banken mogelijk ware, schijnt mij een uiterst lastige questie.3)

Ook in de veelvuldige geschriften, door Otto Heyn aan de geldtheorie gewijd, staat, vooral in den lateren tijd, de geldpolitiek op den voorgrond. Deze omstandigheid heeft, naar 't mij voorkomt, aan Heyns geldtheorie geen goed gedaan, en den auteur, met name waar het de toepassing der theorie op de toestanden van het geldwezen in Duitschland gedurende den wereldoorlog betrof, verleid tot het verdedigen van stellingen, welke den toets der kritiek niet kunnen verdragen. In het bijzonder geldt dit ook van het probleem, dat ons hier bezighoudt.

Heyns „Geldschöpfungslehre" treedt eerst langzamerhand in zijn geschriften op den voorgrond. Aanvankelijk was Heyn van

*) Vgl. Wahrungspolitik und Geldtheorie, blz. 73, v.v.; op blz 81 vv geeft Bendixen eenige Leitsatze zur Reform der Bankgesetzgebung"; de Se daarvan^* aldus: „Die Reichsbank wirkt mit Hilfe ihrer Diskontpolitik auf die Verfassung des Geldmarktes im Sinne des Gleichgewichts zwischen flüssigem Kapital und Unternehmungen . Wat hiermee bedoeld wordt, is niet recht duidelijk, aangezien, zooals boven bleek, gebrek aan evenwicht van kapitaal en behoefte daaraan bij de ondernemers met als gevolg eener bepaalde bankpolitiek kan worden beschouwd.

) Zie mijn boven aangehaald Economistartikel, blz. 210.

) Von Wieser huldigt in beginsel dezelfde opvatting als Bendixen; geldcreatie op grond van warencrediet acht hij de beste methode; bovendien meent hij, dat men bij deze wijze van geldcreatie het particulier initiatief geheel zijn gang kan laten gaan, zonder gevaar voor prijsverstoring als gevolg van oorzaken, bij het geld gelegen (t. a. p. dIz. 233, v.v.).