Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

„In den tuin zitten tusschen al de ouder-

wetsche bloemen—"

„Als je alleen bent, ga je weer tobben."

Jlk zal niet alleen zjjn, de oude mevrouw Jögli zal mij wel gezelschap houden. Ze is net zoo heerlijk ■f ouderwetsch als haar bloemen—"

„Hoe is 't nu mogelijk, dat zoo'n suf oud mensch...."

„Nee, zeg dat niet. Ze is veel liever en oprechter dan al die vervelende pronkmenschen, die wij in St. Moritz hebben ontmoet. Ze is zoo waar en zoo kalm, zoo net wat moedertje zou zijn geworden, als ze nog twintig jaar had geleefd—"

Al pratende waren de zusters opgewandeld, langs den Rijn-oever, die laag en vlak was, toen enkele kleine huizen voorbij, tot ze aan de hoofd-winkelstraat van 't kleine bergstadje kwamen. |

Het huis van Dr. Jögli, bij wien ze en pension waren, lag in een gedeelte der vallei, door de Tamina gevormd, vóór 't grillige, woeste riviertje zijn loop had veranderd. Het was een soort van uitholling, eene indieping, waar juist plaats was voor een ruim, laag huis en een heerlijk beschaduwden tuin.

Hortense vond 't er vervelend bij den goeden, eenvoudigen dokter en zijn kalme, eerbiedwaardige moeder.

Nanny was er gelukkig en tevreden, voor zoover dat mogelijk was.

Nadat haar zuster haar weg naar den Kurtuin, die K er vlak bij was, had vervolgd, sloeg Nanny 't zijstraatje in, waar de voordeur op uitkwam. Doch 't tuinhek werd reeds voor haar geopend en een hartelijke, moederhjke stem noodigde haar om binnen te komen;

Sluiten