Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

den en dan was ze er nog veel erger aan toe.

Wat ze dan doen moest — ze kon het werk daar toch maar niet zoo laten liggen.

„Neem een meid, vrouw Voncken."

„Dat van z'n leven nooit — geen vreemd volk in huis — wat zeggen jelui d'r van?"

Ze zeiden niets, noch vader, noch Gradus; zij waren het volkomen eens met vrouw en moeder

geen vreemd volk in huis — maar de dokter had ook gelijk — zóó kon het niet blijven duren, zóó mocht moeder zich niet afbeulen; ze zou zich kapot maken.

Enkele dagen later de vader tot zijn zoon, terwijl zij bezig zijn het land te bewerken: „zeg Gradus, ik heb eens goed over alles geprakkezeerd

— wij moeten hulp voor moeder hebben, daar gaat niks van af; wij moeten nog een vrouw in huis nemen."

„Alzoo dan „toch" vreemd volk bij ons."

„Dat is nou precies nog niet noodig."

„Hoe wil je 't dan anders klaar spelen, vader?"

„Ja — zie eens Gradus, je bent nu al zes en twintig jaar; 't wordt tijd, dat je eens begint er over te prakkezeeren om te trouwen."

„Trouwen vader ... trouwen *.. daar heb ik nog nooit over gedacht en ... ik ken ook geen meisje, waar ik genieigheid voor zou hebben."

„Dat vindt zich wel, als je maar wil — ik heb er al een voor je in mijn gedachte."

Sluiten