Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

2. Het additietheorema voor snelheden volgens de classieke mechanica.

Nemen we nog eens den snel rijdenden spoorwagen. Een reiziger loopt in den wagen in de richting der trein% beweging met een snelheid w. Met welke snelheid U^komt hij met betrekking tot den spoorweg vooruit? Heeft de spoorwagen een constante snelheid van v, dan gaf ons de classieke mechanica heel eenvoudig: W=v-\-w. Later zullen we zien dat dit niet juist is, maar voorloopig nemen we dit aan.

3. Lichtvoortplanting en het relativiteitsbeginsel.

Van algemeene bekendheid is, dat het licht zich met een snelheid van ongeveer 300 duizend K.M. per seconde voortplant en dat dit voor alle kleuren zoo is.

In den laatsten tijd is o.a. door den Hollandschen astronoom De Sitter aangetoond dat de snelheid van het licht van de bewegingssnelheid der lichtbron onafhankelijk is. Dat dit niet zoo zoude zijn, lijkt opzichzelf reeds onwaarschijnlijk.

Het beginsel van de constante lichtsnelheid. Elke lichtstraal beweegt zich in een vacuüm met een zelfde snelheid c, en wel onafhankelijk ervan of deze lichtstraal van een in rust zijnd of van een zich bewegend lichaam komt.

Wie zou nu kunnen denken dat dit simpele wetje onze natuurkundigen in de grootste verlegenheid gebracht heeft.

Nemen we in plaats van den reiziger in den spoortrein een lichtstraal, welke zich met de snelheid c langs de spoorbaan beweegt en in dezelfde richting als de trein, welke zich met een snelheid v beweegt.

Wat zal nu de snelheid van den lichtstraal ten opzichte van den spoorwagen zijn ? Het vorige vraagstuk geeft ons gemakkelijk de oplossing. Is H^die snelheid, dan heeft men W=c—v.

Hieruit zou dus volgen dat de voortplantingssnelheid van het licht ten opzichte van den wagen kleiner is dan c.

Sluiten