is toegevoegd aan uw favorieten.

Een verloren illusie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

Ze liepen naast elkaar, zwijgend, de stemming was gebroken. Een paar heeren passeerden hen, fixeerden brutaal Annie. Een felle jaloezie doorflitste Juul, hij keek terzijde zijn nichtje aan. Maar ze liep diep in gedachten voort naast hem over den zonnigen landweg. Vol vreemde droefheid, vol onbestemde gevoelens. Er was iets met Juul... wat dan toch? Ze had wel begrepen, dat zijn positie niet schitterend was... waarom vertrouwde hij haar dan zijn geheimen niet toe? Zou ze hem vragen, polsen? Ze werd bang, bang voor haar liefde, ze hield van hem met al zijn gebreken, zijn zwakheid van karakter, waar toch gevoel en dieper ernst in verborgen lagen. Ze hield van zijn klare, tintelende oogen, zijn vriendelijk gelaat, waar uitsprankelde jong leven, zooals" bij haar. Ze dolden soms samen als twee groote kinderen, maar dan weer te saèm op haar atelier, spraken ze over kunst, gaf hij haar onbewust bezieling tot scheppen, tot arbeiden.

O, 't was zoo jammer, zoo jammer van Juul!

„Zullen we daar even gaan zitten?" stoorde Juul haar uit 't gepeins, 't Was 'n gewone uitspanning, een herberg, verscholen op den breeden grintweg. Een boerenknecht veegde

löÉl 8