Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

volk te kleineeren en den lof te zingen van andere volken. Ik geloof, dat die onderschatting van het eigene en die overschatting van het uitheemsche soms voortkomen uit onkunde, soms uit gemis aan zelfgevoel, soms uit persoonlijke teleurstelling en verbittering, soms ook uit de zucht om zich te koesteren in het besef van meer-' derheid boven achterlijke landgenooten, die nog gelooven dat in bet buitenland niet alles goud is wat er blinkt.

Tegenover het gepruttel, de klachten, de schimpscheuten — met of zonder grond — die men niet zelden van Nederlanders over het eigen volk te hooren krijgt, wensen ik te verklaren dat ik het Nederlandsche volk hoog acht om zijn voortreffelijke eigenschappen

„O.W.'ers!" roept iemand; „onbeschaamde winzucht en bedrog, dufheid, bekrompenheid, kleinburgerlijkheid, tuchteloosheid, speelholen, zedeschandalen!" Ik antwoord: die zijn er, helaas! ook. Doch daar tegenover staat zooveel goeds en moois, dat evenveel recht heeft op vermelding, doch zoo vaak verzwegen of verdonkeremaand wordt

Waar vindt men over het algemeen meer goede trouw; meer menschen waarop men kan bouwen; eerlijke, stille werkers, die de kracht vormen van zoo menige zaak, inrichting, vereeniging, kerkgenootschap; waar meer hulpvaardigheid en offervaardigheid, waar een fatsoenlijker pers en betrouwbaarder rechtspraak; waar meer heldere onbevangen verstanden, ruimte en veelzijdigheid van beschouwing; waar meer frisschen durf en taaie volharding; waar inniger verband tusschen gemoedelijkheid en leuke ironie?

Dit volk, met zijn grootsch verleden, heeft zijn oude kracht nog niet verloren; kan nog groote dingen doen; zou, geperst door de omstandigheden, nog daden verrichten, waarvan de wereld zou gewagen.

Wil men deze uiting chauvinisme noemen, ik zal er mij niet veel van aantrekken; slechts wil ik er de verklaring tegenoverstellen, dat ik hier eenvoudig poogde samen te vatten wat een meer dan veertigjarige omgang met ons volk mij te hooren en te zien, te gevoelen en te denken heeft gegeven. Overigens kan reeds gebleken zijn, dat mijne bewondering van ons volk mij niet belet zijn zwakke of wonde plekken te zien. Zij belet mij ook niet omstandigheden en eigenschappen van ons volk te onderscheiden, die zijne weerkracht bedreigen of verminderen.

Onze centrale ligging en onze geschiedenis maken ons bijzonder geschikt voor het vervullen van een internationale rol. Vanouds waren wij de schippers van Europa; wij zijn het nog, al zijn anderen ons op zij gekomen; wij zijn het vooral op de wateren des geestes. Maar dat internationalisme bedreigt ons nationalisme; Ik heb het oog op de geringschatting of de verwaarloozing van het eigene, op de gedachtelooze overneming van hetgeen niet strookt met den aard en den geest van ons volk, op de vermindering van oorspronkelijkheid

Sluiten