Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

haar te zien ingevoerd, omdat hij van belasting naar draagkracht niets weten wil. Zijn beginsel omschrijft de heer Salomons als volgt: „Niet het vermogen om te betalen (de draagkracht) moet de maatstaf zijn voor elks aandeel in de kosten der maatschappelijke huishouding, maar het aandeel in de voordeden, die deze huishouding oplevert."

De heer Salomons doet zich dus kennen als een aanhanger van „de verouderde en verlaten leer, dat men de belastingen zou hebben op te vatten als de contrapraestatie van den staatsburger tegenover het voordeel, dat hij van de staatswerkzaamheid trekt"1), de leer „welke zich den Staat en den staatsburger voorstelt als twee gelijkwaardige grootheden, die met elkander rust en zekerheid eenerzijds tegen een belastingsom anderzijds ruilen" *).

Wij zeggen het den heer Treub volmondig na: „Die leer strijdt te zeer met de tegenwoordig gangbare opvattingen omtrent de verhouding van Staat en individu. De burger heeft tegenover den Staat plichten te vervullen op den enkelen grond, dat hij deel uitmaakt van het staatsverband, de Staat verlangt van den burger de nakoming dier plichten op den enkelen grond van zijn souvereiniteit" *).

Met eenige vergelijkingen tracht de heer Salomons de juistheid zijner belastingtheorie aan te toonen. Bij geen enkele instelling of gemeenschap, aldus betoogt hij, wordt de draagkracht als maatstaf voor de bijdrage in de kosten toegepast; in gevallen, waarin enkele personen, bij gelijke rechten en voordeelen, meer bijdragen dan andere, geschiedt dit vrijwillig.

De heer Salomons had nog verder kunnen gaan; hij had kunnen zeggen, niet alleen dat het bijdragen van een grooter bedrag dan anderen, doch dat het bijdragen van elk bedrag in 't algemeen, ook het geringste, aan andere dan publiekrechtelijke instellingen vrijwillig geschiedt. Ja, hij had dit

l) Ontwerp-Treub voor de Wet op het belastingstelsel 1916, Memorie v. Toelichting § 3. *) Ontwerp-Treub, t. a. p.

Sluiten