Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prae-advies van den Heer HERMAN ROBBERS.

Waarde He er en,

In antwoord op de vragen a en b moet ik U mededeelen, dat ik geen enkele reden zie, waarom de Staat van alle aangekochte of verkregen „voorwerpen van letteren, wetenschap en kunst" het auteursrecht zou „behooren" te bezitten. Ik begrijp zelfs niet, waarop deze vraag zich eigenlijk baseert. Is er iemand die (natuurlijk altijd: bij onze heerschende economische verhoudingen) meent, dat de Staat tegelijk met een schilderij, een beeld, een manuscript, ook het reproductierecht van deze dingen zou moeten verwerven? Men kan van meening zijn dat (bij gansch andere economische verhoudingen dus) de Staat, of de Gemeenschap, de baten van ille kunst aan zich moet trekken en aan de kunstenaars een rustig bestaan verzekeren. Doch ook dan, zou ik toch wenschen vol te houden, mag men het immaterieele auteursrecht, het recht dus om voor zijn product te zorgen, te voorkomen dat het verkeerd behandeld wordt, niet aan den auteur ontnemen. Te vaak echter wordt deze zijde van het auteursrecht vergeten, of van minder belang geacht, en alleen gelet op de materieele voordeden, die aan het auteursrecht verbonden kunnen zijn.

Déze vraag kan, dunkt mij, alleen gesteld worden (zooals dat ook geschiedde in Italië, en met bevestigend antwoord): Behoort, na beëindiging der wettelijke rechten van auteurs en hunne erven, het auteursrecht op hunne werken niet te vervallen aan de Gemeenschap of Staat? Behoort dus, 50 jaar na den dood eens Nederlandschen auteurs, de Staat niet te treden in de rechten zijner erven? Hiervoor valt inderdaad veel te zeggen; Op twee wijzen kan, na het vervallen van een wettelijk auteursrecht, de Gemeenschap daarvan profiteeren, n.1. direct en indirect. Direct door Staatsexploitatie met winst, indirect door winstlooze exploitatie, m. a. w. doordat de

Sluiten