is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8i

!— dien zonderlingen naam droeg de hofstee — alleen nog maar met de tweede verdieping gelijkdijks stonden; ontbrak de bovenverdieping, dan stak alleen maar het dak even boven den dijk uit. Naast de woning was dan een sterk glooiend rijpad, „de stoep," dat afdaalde naar het veel lager dan de dijkkruin gelegen polderland, en daar, beneden op het gehjkvloersche alzoo, zijn dan de ingangen tot woning en schuur.

De „Konijnenkooi" was een tamelijk groote hoeve, met één verdieping. Nadat Van Arkel zijn bedrijf aan kant had gedaan, bewoonde een van zijn gehuwde zoons de benedenverdieping, en hijzelf woonde boven, met den uitgang op den dijk. Na Adriaan's thuiskomst leefden zijn vader en hij samen; een bejaarde burgerjuffrouw bestuurde het kleine huishouden. Vader van Arkel, van jongsaf aan een werkzaam leven gewoon, had voor zich zelf den tuin en boomgaard behouden; daar werkte hij in van het vroege voorjaar tot den laten herfst, kweekte er groenten, verzorgde zijn bloemen; en des winters zat hij voor zijn haard zijn krant te lezen, den bijbel soms, nu en dan een boek dat dominee Van Spanum hem bezorgde — maar eigenlijk hield hij niet van lezen — óf strikte hij wollen wanten, waar hij een bijzondere kunstvaardigheid in bezat, dan wel breide uiterst doelmatige vischnetten en fuiken van eigen vinding. Ook'timmerde hij fraaie duiventillen en practische leghokken voor zijn kippen, waarvan hij onderscheiden soorten aanfokte.

Maar altijd-door was zijn niet bijzonder vlugge of schrandere, schoon zeer oorspronkelijke geest vervuld van het een of andere probleem — voor hèm een probleem — waarvoor hij een oplossing of