is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacob Martens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

blik en het zware beeld stortte van zijn voetstuk en viel op de zerken te pletter.

Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en schilderijen, zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. Het volk was niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar het werk der verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting van. den wrok van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen,' die eigenlijk het werk deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er bij en zag het aan, met kennelijk welgevallen, soms met luide toejuiching. Hij zag, hoe eenige jonge knapen zich van een langen sliet hadden meester gemaakt en er onder luid gelach de schoone schilderijen, de meesterwerken der oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk versierden, mee stuk stieten. Geschilderde glazen en fraai houtsnijwerk, gouden en zilveren kelken en gedreven koperwerk, alles werd vernield en vertrapt door de fanatieke menigte, die van kunst geen begrip had en in dit alles slechts de symbolen zag van een eeredienst, dien zij verfoeide.

Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een zekere schroom de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan wat velen hunner in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een schippersknecht de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte het ciborium open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in de hoogte, terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij de vaas en nam er de gewijde ouwels uit.

— „Melis! Melis! Jan de Witte!"*) juichte het volk.

— „Wie wil een God ?" schreeuwde de schipper. „Wie er aan een niet genoeg heeft, kan er twee krijgen."

— „Ik! Geef hier!" klonk het van alle kanten.

— „Pak aan!" En in een oogenblik waren de ouwels

*) De spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf.