is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

DE APRILBEWEGIW& VAN 1853.

betwist, aan wien ik gaarne hulde doe om zijn braafheid en eerlijk karakter, met de beste bedoelingen, toch, uit zijn aard, uit zijn standpunt, onwillekeurig eenzijdig moest wezen. Heeft de Regering hem maar laten voortgaan zonder in gemeen overleg met hem, homogeen te regelen de hoofdzaak waarvan hier quaestie is, dan geloof ik dat de Regering nalatig is geweest, omdat zij aan een enkel Minister overliet wat aller behartiging waarlijk wel overwaardig was; en dan geloof ik daarbij nog dat er niet gehandeld is in onzen constitutionelen zin; want onze constitutionele zin brengt homogeniteit van het Ministerie mede, en dat karakter van homogeniteit houd De er voor dat in dezen althans geheel is miskend. Onder eene vorige Regering had zoodanige allergewigtigste zaak eens door een Minister op deze wijze moeten behandeld worden, dan zou er een luid geroep zijn opgegaan! — Maar nu is die regeling daar, met haar pauselijke allocutie, uit het standpunt van hem die haar uitspreekt misschien; verdedigbaar, maar voet onze landgenooten, voor het grootste gedeelte van de Nederlandsche bevolking, welke haar moet aanhooren, onbetwistbaar hard en kwetsend, wat sommige uitdrukkingen betreft; — meer zal ik er niet van zeggen. Nu vraag ik met den eersten spreken is er dan tenminste niet tegen zoodanige uitdrukking geprotesteerd, of zal het niet alsnog met nadruk worden gedaan ? Het eenige wat men doen kon was — zoo ik wèl verstaan heb —zich daarover eenigszins gevoelig te toonen. Mijne Heeren, die zaak verdient waarlijk wel, dat men er openlijk tegen pro* testere, en te meer nog omdat die woorden gesproken~zijir-in Rome, naast den gezant van den Protestantschen Vorst, van wiens volk werd gewaagd, doch wiens Koningrijk niet eens bij den regten naam is genoemd, ofschoon het toch te Rome overbekend zal zijn, dat die gezant heet minister van Zijne Majesteit den Koning van het Rijk der Nederlanden. Ik hoop dat alsnog de waardigheid van het Nederlandsche volk door een protest zal gehandhaafd wórden."

Eerst op den i8en April zou de Kamer weder bijeenkomen om de beraadslaging over de interpellatie voort te zetten, maar inmiddels hadden buiten de volksvertegenwoordiging gebeurtenissen plaats gegrepen, wier groote beteekenis op staatkundig gebied weldra blijken zou. De Koning, gewoon ieder jaar omstreeks April enkele > dagen te Amsterdam door te brengen, was