is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MINISTERIE VAK HALL—DONKER CURTIUS 1854.

"5

straffen werd weggevaagd l), en tevens in verband met het ingevoerde cellulaire stelsel verscheidene mildere strafbepalingen werden vastgesteld. Dezelfde geest van gezonde humaniteit, die in de straf geene wraakoefening tegen den machteloozen misdadiger wil zien, deed zich ingelijks in de wetgeving voor het krijgsvojk te water gelden, door het afschaffen van het kielhalen en dergelijke onmenschelijke straffen *).

De rittingen der Tweede Kamer van den I0en tot den 22en Mei waren gewijd aan de behandeling der wet tot regeling van het armbestuur »). Dat het verkenen van onderstand aan de' noodlijdende kden der maatschappij nkt alleen eene zedelijke verphchting k der meergegoeden, maar tevens een ernstige staatsbemoeiing, werd, wat daartegen ook in theorie mocht worden aangevoerd, ten allen tijde in de practijk gehuldigd en mtdrukkehjk geformuleerd in de constitutie van 1798. Hoe moeilijk echter een goede wettelijke regeling van dit beginsel, en vooral bet aanwijzen eener juiste grenslijn tusschen het gebied der wettelijke en der bijzondere of kerkelijke hefdadigheid was, bleek genoegzaam uit de stelsellooze en verwarde toepassing der Wet van 28 November 1818, wkf eenig doel trouwens was het domicilie van onderstand der behoeftigen te regelen. Ook Thorbecke had ondervonden welke bezwaren dtt onderwerp opleverde, toen bij in 1851 en daarna in 1853 een wetsvoorstetindiende, dat uitging van het denkbeeld, dat de zorg der regeering en het gebied der wet zich behoorden uit te .trekken over het armbestuur in het algemeen, alzoo over alle insteüingen van weldadigheid, en dat deze zorg alken wijziging behoefde naar gekng van den oorsprong en den bijzonderen aard der mstellingen.

Tegen dit beginsel had zich echter van kerkelijke rijde nkt alleen, maar ook in die kringen; wkr kden gewoonlijk de-bijzondere en kerkelijke instellingen beheeren, zulk een tegenstand geopenbaard» dat het nkt te mkprijzen viel, zoo het bewind der tegenovergesteldeildchting, althans ten opzichte van de regeling van het armbestuur, een ander beginsel tot richtsnoer nam.

Aannemende dat de Grondwet den wetgever volkomen vrij laat in het al of nkt beperken van de vrijheid der kerkelijke

*) Wet van 29 Junij 1854, Stbl. no. 102, houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld.

a) Wet van 28 Junij 1854, Stbl. no. 96, houdende eenige veranderingen in het bestraffen van misdrijven door het krijgsvolk te water gepleegd.

•) Wet van 28 Junij 1854, Stbl. no. 100.