is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bij ringz te mc slecht stelse slecht üefda dewijl zij tn midd< De ai Me wijzüi kan \ opger groot»

geene werd bezws zinni§ veron wet, verge: libera mogel werd als vi met • tionai komij kerke n en grenz* de bu zicht Ha alzoo ook c najaa

MINISTERIE VAN HALL—DONKER CURTIUS X854.

zondere inrichtingen van weldadigheid, oordeelde de regeeich bij deze regeling uitsluitend tot de burgerlijke armenzorg «ten beperken, terwijl van de niet-burgelijke armbesturen s enkele opgaven werden gevorderd. Overigens werd in het l der wet de ondersteuning der armen, zooveel dit s kon, geheel «aawgelaten aan de kerkelijke en bijzondere digheid. De burgerlijke armenzorg werd wel niet verbóden, [ er gevallen zijn waarin dit verbod onhoudbaar is, maar :edt toch eerst op nadat gebleken ia, dat niet door andere den in de behoefte der noodlijdenden kan worden voorzien, menzorg houdt op een pubhek belang te zijn. Pdit hoofdbeginsel was wel eenigermate in strijd de aang der geboorteplaats als het domicilie,, waarbij men hulp ragen, maar dit was, gelijk in de discussiën terecht werd lerkt, een gevolg van* het besef, dat de macht der feiten M is dan de wettelijke theorie.

één woord, men erkende algemeen dat het stelsel der wet onvoorwaardelijke goedkeuring verdiende, maar tevens zelfs door tegenstanders toegegeven; dat een ander stelsel Larlijk ware in te voeren. De regeering zelve kon het dubbelde karakter der wet niet ontkennen, maar trachtte dit te tschuldigen door haar te bestempelen als eene overgangsdie de invoering van een zuiverder systeem later zoude makkelijken. De meerderheid, waaronder verscheidene len en katholieken, Zwichtte voor het besef van de onijkheid om thans iets beters te verkrijgen, en zoodoende de wet trots bestrijding, zoowel van Groen van Prinsterer m Thorbecke en De Kempenaer, in de Tweede Kamer 17 tegen 28 stemmen aangenomen. De geheele antirevolure partij verklaarde zich/ niettegenstaande de tegemoetig der regeering aan de wenschen der voorstanders van lijke vrijheid, tegen de wet, omdat bij de artikelen 7, 10. 12 die vrijheid niet genoeg was ontzien, bij art. 25en de aan;nde artikelen geen tijdelijk en buitengewoon karakter aan rgerlijke armbedeeling was toegekend, en eindelijk geen uitwas geopend op trapsgewijze vernnndering der subsidiën. iden bijkans alle departementen van algemeen bestuur belangrijke wetsontwerpen in deze zitting aangeboden, iat van Koloniën was niet achter gebleven. Reeds in de rszitting van 1853 was de regeling van. het muntwezen