Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47^*3»

MINISTERIE HEEMSKERK «SS VAN LVNDEN l8?4

betrof, de vergefcjking met hunne voorgangers zeer wel doorstaan. Het waren jhr. mr. H. J. Van der Helm voor Financiën; mr. J C. Th. baron Van Lynden van Sandenburg voor Justitie; mr. | W. baron Van Goltstein voor Koloniën en jhr. mr. P. J. A. M. Van der Does de Willebois, Conunissaris des Konings in Limburg] voor Buitenlandsche Zaken. Mr. Heemskerk Az. aanvaardde oj> I nieüw de portefeuille van Binnenlandsche Zaken, terwijl de minister Weitzel voor Oorlog en Taalman Kip voor Marine uit het afgetreden kabinet in het nieuwe overgingen.

Wekten de namen der nunisters over het algemeen goede verwachtingen — het programma, in de troonrede nedergelegd, werd eveneens door de pers gunstig beoordeeld. Het ministerie' was blijkbaar niet gekomen om stil te zitten en waarom zou het parlement, dat een kabinet» uit de meerderheid voortgekomen, steeds had gedwarsboomd, niet genegen zijn tot vruchtbaar gemeen overleg, nu de mmderheid aan het roer was geplaatst? De financiëele toestand mocht gunstig heeten en de regeering vleide ekh vooralsnog zonder buitengewone middelen in de behoeften te kunnen voorzien. Allereerst zou de medewerking der Kamers worden ingeroepen om de wet op het hooger onderwijs'tet stand tö brengen, terwijl tevens met ernst zou worden overwogen, welke wijzigingen de wettelijke regelen omtrent de andere takken van onderwijs behoefden.

Eene wet op de rechterlijke organisatie en eene tot verbetering Van die op de nationale militie zouden worden aangeboden, terwijl de aanleg van openbare werken, waaronder de droogmaking van een deel der Zuiderzee, werd voorbereid.

Bij het kleurlooze en in één dag afgeloopen debat over bet adres van antwoord meende de heer Van Kerkwijk de aandacht te mogen vestigen op het buitengewoon lange verloop van de ministerieele crisis (van 20 Juni tot 27 Augustus), waardoor zijns inziens de belangen van het algemeen hadden geleden. Zijn voorstel om eene daarop betrekking hebbende zinsnede in het adres aan den Koning op te nemen, werd echter, als strijdig met de constitutioneele gebruiken, niet ondersteund en bleef alzoo buiten behandeling.

In het adres van de Eerste Kamer, overigens een weerklank op de troonrede, trok de aandacht dat met WjSonderen nadruk de verwachting werd uitgesproken, dat „de ernstige overweginggen omtrent andere takken van onderwijs, het hoofdbeginsel

Sluiten