Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

482(147:

MINISTERIE HEEMSKERK — VAN LYNDEN 1875.

spoorwegen zich in de laatste jaren wederom krachtig geopenbaard. In 1873 waren dan ook wetten goedgekeurd tot aanleg van de niet in het oorspronkelijk spoorwegplan opgenomen lijnen Arnhem—Nijmegen en Zevenbergen—Zwaluwe. Het afgetreden nünisterie meende met eenige bankiers eene overeenkomst te moeten aangaan, waarbij van regeeringswege, onder nadere goedkeuring der wetgevende macht, subsidiêh werden toegekend voor den aanleg van verschillende lijnen. Het wetsontwerp ter goedkeuring van deze overeenkomst werd door het ministerieHeemskerk teruggenomen, maar een nieuw voorstel liet zich wachten, zoodat mr. Kappeyne en drie andere leden der Kamer zich gedrongen gevoelden om hunnerzijds een wetsontwerp tot aanleg van spoorwegen voor staatsrekening in te dienen. Dit voorstel kwam evenwel met in beraadslaging, door de latere indiening van een regeeringsvoorstel van nagenoeg dezelfde strekking, en de parlementaire werkzaamheden gedurende de eerste helft van 1875 bepaalden zich in hoofdzaak tot de behandeling van de wetten tot regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen *), tot inkoop en amortisatie van nationale schuld» tot voorziening tegen hondsdolheid «), tot regeling van het toezicht bij het oprichten van inrichtingen die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken') en tot nadere tijdelijke voorziening omtrent het Nederlandsche muntwezen'). Hoewel zich bij dit laatste ontwerp wederom het verschil van inzichten openbaarde, dat anderhalfjaar vroeger tot verwerping van de muntwet van Van Delden had geleid, bleek toch de meerderheid geneigd om de lijdelijke houding, tot dusver door Nederland in het monetair vraagstuk aangenomen, te laten varen, en vereenigde zij zich met dit ontwerp, dat de vrije aanmunting van goud beoogde met behoud evenwel van de beperkte zilveren standaardmunt.

De wet op het hooger onderwijs, die tot herziening van de kieswet en de ontwerpen betreffende de rechterhjke organisatie» bleven bewaard voor de opvolgende Kamer, die, zoowel ten gevolge van de verkiezingen in Juni 1875 als door overlijden, verscheidene oude bekenden door nieuwe leden vervangen zag.

Mr. Van Reenen, jarenlang afgevaardigde van Amsterdam en

*) Wet van 9 April 1875, Stbl. no. 76. *) Wet van 5 Juni 1875, Stbl. no. 110. •) Wet van 2 Juni 1875, Stbl. no. 95. *) Wet van 6 Juni 1873, Stbl. no. 117.

Sluiten