is toegevoegd aan uw favorieten.

De huurcommissiewet en de huuropzeggingswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 6 Huurcommissiewet,

83

schikkingsrecht van den verhuurder. Het amendement werd met 48 tegen 19 stemmen verworpen.

3. In het Voorloopig Verslag werd aangedrongen op het stellen van termijnen voor de uitspraak in eerste instantie en in beroep, ter wille van een geregelde afwikkeling van zaken. De Regeering achtte termijnen uiterst bezwaarlijk, waar iedere zaak met den meesten spoed diende behandeld te worden. Een aanbeveling, spoed te betrachten, werd evenwel opgenomen in het eerste lid van art. 4 *) voor de huurcommissie en in het derde lid van art. 6 voor den kantonrechter.

4. De Regeering wees er in de Mem. v. Antw. aan de le Kamer Kans op op, dat een appèl niet steeds slechts voordeel maar ook nadeel Spplf.1 Tan kan brengen. Zij stelde als voorbeeld: eene woning was met 1 Januari 1916 en steeds daarna verhuurd voor ƒ 3,— per week; de eigenaar acht het nu noodig, de huur met ƒ 0,50 per week op te

slaan en vraagt daarvoor de goedkeuring der huurcommissie. Verondersteld nu, dat de huurcommissie slechts een verhooging van ƒ 0,30 per week goedkeurt, en de verhuurder bij den kantonrechter appelleert, dan is het toch zeer wel mogelijk, dat de kantonrechter de vastgestelde verhooging te hoog acht en haar nader vaststelt op ƒ 0,25 per week; indien hij de uitspraak der huurcommissie niet bevestigt, kan hij immers krachtens art. 6 voorlaatste lid, iedere regeling treffen, die de huurcommissie bij machte was te maken

5. Men zie bij het derde lid aanteeken. 4 op art. 3 en aanteeken. 9 op art. 4.

6. Het derde lid is bij amendement in het ontwerp gekomen. Men achtte de mogelijkheid van cassatie gewenscht, hoewel niet dringend noodzakelijk, omdat na 6 maanden ingevolge art. 7 een revisie zou mogelijk zijn van de einduitspraak.

7. De artt. 80—91 geven nadere voorschriften voor het beroep, m de nuurDe vraag is, in verband met art. 88, gerezen, of de huurcommissie "partij"'in als „partij" kan worden beschouwd. Mr. Kranenburg geeft in bn'"vl W. v. h. R. 10170 de volgende beschouwingen hierover: De taak

van de huurcommissie is als rechtspraak te beschouwen. Indien inderdaad de huurcommissie als rechter een beslissing geeft, — zie art. 4 al. 1 der wet — dan schijnt het mij in strijd met de tot dusver geldende opvattingen van procesrecht en rechterlijke organisatie, om dezen rechter in eersten aanleg als partij in hooger beroep

1) Bij art. 4 te letten op art. 68, le lid van het Kon. besluit.