is toegevoegd aan uw favorieten.

De huurcommissiewet en de huuropzeggingswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

Artikel 6 Huurcommissiewet.

te beschouwen en hem ter verdediging van zijn beslissing voor den rechter in hooger beroep te doen verschijnen. Ik kan in de Huurcommissiewet geen bepaling vinden, die tot een zóó afwijkende beschouwing noopt. Wie is „wederpartij", bedoeld in art. 88? De huurder, indien deze zich partij in het geschil heeft gesteld; is dat niet het geval, dan is er geen wederpartij.

In denzelfden zin Mr. Otten in W. v. h. R. 10182; anders evenwel Mr. Sipkes in W. v. h. R. 10160.

Het standpunt van Mr. Kranenburg schijnt het meest juiste. De huurcommissie is door den wetgever geroepen tot het oordeelen over belangen; de kantonrechter heeft in beroep hetzelfde te doen. Het is een volslagen miskenning, van positie en taak van den wettelijken beoordeelaar, dezen als wederpartij te beschouwen van hem wiens belangen beoordeeld moeten worden. Het is te begrijpen dat de kantonrechter behoefte gevoelde aan mededeeling van kennis, die de huurcommissie verkregen had, indien haar uitspraak niet volledig en met zorg was gemotiveerd, maar dit is nog geen reden om haar als partij te beschouwen. Practisch is dit punt op zeer gelukkige wijze opgelost door de aanvulling van het eerste lid van art. 85 van het Kon. besluit. De secretaris van de huurcommissie moet voortaan in geval van beroep, aan den griffier van het kantongerecht onverwijld de tot de zaak betrekking hebbende stukken toezenden. De griffier zendt na de einduitspraak de stukken terug aan den secretaris. De kantonrechter zal zich dus de kennis van de huurcommissie kunnen eigen maken. De stukken toch zullen, indien de secretaris art. 70 behoorlijk naleeft, het verhandelde volledig moeten weergeven.

8. Bij het beroepschrift moet worden overgelegd afschrift van het verzoek aan de huurcommissie — op straffe van niet-ontvankelijkverklaring. Beslissing kantonrechter Amsterdam 21 December 1917, W. v. h. R. 10204.

Bij het beroepschrift moet worden overgelegd de brief van den secretaris der huurcommissie, waarbij het afschrift van de uitspraak der commissie werd toegezonden. Beslissing kantonrechter Amsterdam 21 Jan. 1918, W. v. h. R. 10204. (Men zie art. 82 van het Kon. besluit, dat door de aanvulling van art. 85, eerste lid, veel van zijn bestaansreden heeft verlóren.)

ueen beroep 9- Tegen de beslissing van den kantonrechter staat geen beroep tegen de be- en. aUeen cassatie in het belang van de wet is mogelijk. Het

sllsslne van r > . , ,

,ien kanton- injtiatief daartoe is bij art. 98 Recht.organisatie opgedragen aan re<J r' den procureur-generaal bij den Hoogen Raad; daarom is een ver-