is toegevoegd aan uw favorieten.

De huurcommissiewet en de huuropzeggingswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel i Huuropzeggingswet.

100

schreef, is de kantonrechter vervangen door de huurcommissie, maar de strekking van het betoog blijft gelden. De huurcommissie moet zich een overtuiging vormen met behulp van alle middelen, die met name art. 3 haar biedt. Haar oordeel moet op innerlijke overtuiging gegrond zijn.

14. Tweede voorwaarde is, dat er voor de inwilliging van het ver- Er moet e«n

. .... geldige reden

zoek een geldige reden bestaat. Volgens het oorspronkelijk ontwerp yoor de

was de tweede voorwaarde, dat er voor de .opzegging overigens nesteen, geen geldige reden bestond. Deze wijziging is een gevolg van het opnemen, bij de Mem. van Antw., van een omschrijving van „geldige redenen". (Men zie over dien term aanteekening 17.) Het is dus niet de vraag, of er op het oogenblik van de opzegging aan de zijde des verhuurders al of niet een geldige reden voor die opzegging bestond, maar: of het op het oogenblik, waarop de huurcommissie te beslissen heeft, wenschelijk is, dat de opzegging van kracht blijft. Hierdoor is dus eene geheel andere vraag, eene van veel algemeener strekking, aan het oordeel der huurcommissie onderworpen. Den huurder zal dit bewijs in menig geval gemakkelijker zijn, dan het negatieve, dat volgens de oorspronkelijke redactie moest worden geleverd. Het spreekt van zelf, dat de verhuurder zijn argumenten kan voordragen om de overtuiging van de commissie te zijnen gunstige te vormen.

De Regeering merkte op, dat het oogenblik voor het vormen van een oordeel voornamelijk in het eerste stadium der werking van de wet van practisch gewicht kan zijn. Later zal de behandeling van het verzoek door den rechter (de huurcommissie) in den regel wel zóó spoedig volgen op de opzegging zelve, dat het tijdstip der geldige reden niet veel verschil in de feitelijke omstandigheden waarschijnlijk zal maken.

15. De termijn van zes maanden, gedurende welken de huur- Termijn commissie de huur na den overeengekomen huurtijd kan doen Toor nuurvoortduren, kan ingevolge het vijfde lid, eens, of meermalen telkens Terl'n*,n,tmet ten hoogste zes maanden verlengd en ingevolge het zevende lid verkort worden.

16. De bij het Kon. besluit van 26 Mei 1917, St.bl. 444, vast- Taak van gestelde algemeene maatregel van bestuur moet zonder eenigen commissie, twijfel ook worden nageleefd waar het geldt aangelegenheden, ingevolge de Huuropzeggingswet behandeld. Bij de Huurcommissiewet is een nieuw college in het leven geroepen, n.1. de huurcommissie, en werd bepaald, dat de instelling, de samenstelling, de taak