is toegevoegd aan uw favorieten.

De huurcommissiewet en de huuropzeggingswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

Artikel 1 Huuropzeggingswet.

en de werkwijze van dat college en de regelen en vormen van het beroep van zijn uitspraken op den kantonrechter bij algemeenen maatregel van bestuur zouden worden geregeld. Wanneer een latere wet aan dit college nieuwe bevoegdheden toekent en ook van die uitspraken hooger beroep geeft op den kantonrechter, dan is het duidelijk, dat ook die nieuwe aangelegenheden volgens de geldende regelen moeten worden behandeld. Ware het anders, dan zou de wet dit uitdrukkelijk moeten hebben verklaren. Dat zulks ook de bedoeling van den Koninklijken wetgever is, blijkt ten overvloede uit het Kon. besluit van 1918, St.bl. 223, waarbij juist in verband met de Huuropzeggingswet wijzigingen in den algem. maatr. van best. werden gebracht. Minister van Justitie dd. 13 Juli 1918, le afd. C, no. 610.

wat is te 17. Vierde lid. In het oorspronkelijk ontwerp kwam een nadere

verstaan i i •

onder aanduiding van hetgeen onder „geldige reden zou zijn te verstaan reden". niet voor. De Regeering verduidelijkte haar bedoeling in de Mem.

van Toel. alleen met een enkel voorbeeld: „Het kan voorkomen, dat in een bepaald geval de opzegging alleszins te billijken is, b.v. indien een bloedverwant des verhuurders of hij zelf, ter plaatse moet komen wonen en geen andere geschikte woning kan vinden. De rechter zou in ieder geval eene billijke beslissing moeten geven, hij zou volkomen vrij zijn in de wijze, waarop hij zich eene overtuiging zou willen vormen.

Onder de vele bezwaren, die tegen het ontwerp in het V. V. werden aangevoerd, kwam vooral uit de grief tegen de vaagheid van den term „geldige reden". Om daaraan tegemoet te komen nam de Regeering bij de Mem. van Antw. het vierde lid op. i rdhnei1 va" Deze aanvulling werd in het algemeen deel van de Mem. van Antw. als volgt aangekondigd: „Daar wordt den kantonrechter nadrukkelijk voorgehouden ook te letten op de rechten, die derden te goeder trouw op de woning mochten hebben verkregen. Ook wanneer dus de verhuurder niet uit eigen beweging zijne jegens derden aangegane verplichtingen aanvoert, zal de kantonrechter zich er van hebben te vergewissen, of inwilliging van het verzoek stoornis in de rechten van derden zal brengen, en, zoo ja, ook met die rechten rekening moeten houden. "(In dit citaat is thans voor „kantonrechter" te lezen: „huurcommissie".)

Intusschen zullen de rechten van derden niet beslissend mogen zijn. Moest het verzoek steeds worden afgewezen, wanneer de rechten van derden door de inwilliging zouden worden gekrenkt, dan zou de regeling bijna steeds illusoir bbjken, daar wel ieder verhuurder