Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

1. Behalve bij enkele nog weinig ontwikkelde volksstammen in den Indischen Archipel (w.o. de Papoea's van Nieuw-Guinea, de Poenans en Oio Ot op Borneo), die het gebruik van het zout niet kennen, is het zout een der meest onmisbare levensbehoeften voor de Inlandsche bevolking.

2. Reeds in den tijd der Oost-Indische Compagnie bestond voor die bevolking het verbod van den aanmaak van zout d.w.z. de uitsluitende verkoop van zout werd op Java toegewezen aan pachters, aan wie ook het toezicht op den aanmaak van zout door de bevolking werd overgelaten.

3. Eerst door Raffles werd in 1813, ten einde aan de vele misbruiken der pacht een einde te maken, de regie ingevoerd, en werd uitdrukkelijk verklaard, dat at het zout, met vergunning van het Gouvernement gewonnen, 's Lands eigendom was.

4. Ook na het herstel van het Nederlandsch Gezag werden in den loop der jaren tal van verordeningen uitgevaardigd ter verzekering van het Gouvernements Zoutmonopolie; de thans vigeerende bepalingen zijn vastgesteld bij de ordonnantie in Staatsblad 1882 No. 73, welke ordonnantie, zooals zij sedert werd gewijzigd en aangevuld, is opgenomen onder No. 1 van deze aflevering.

5. De omschrijving van het monopolie-gebied, met name de gewesten waarbinnen de aanmaak van zout in beginsel is verboden, wordt daarin aangegeven.

6- Buiten het monopolie-gebied vallen dus de gewesten: Atjeh en Onderhoorigheden, Riouw en Onderhoorigheden, Djambi, Bali en Lombok, Celebes en Onderhoorigheden, Menado, Amboina, Ternate en Onderhoorigheden, Timor • en Onderhoorigheden.

7. Het Gouvernements Zoutmonopolie vormt onder den naam van „Zoutregie" een afzonderlijken dienst, behoo-

Sluiten