is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor de beoefening van het Nederlandsche administratieve recht voornamelijk ten dienste van zelfonderricht voor aspirant-burgemeesters, secretarissen en ambtenaren ter secretarie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. IV § 1

100

Kieswet en grondwet. .

art. 161 der kieswet bekend gemaakt bij koninklijk besluit van 15 December 1917 (st.bl. no. 694).

Om aan vrouwen hetzelfde kiesrecht toe te kennen als aan mannen is de kieswet gewijzigd bij de wet van 9 Augustus 1919 (st.bl. no. 535), terwijl in afwachting van de technische herziening der kieswet, zij in verband met het opmaken der kiezerslijst is gewijzigd bij de wet van 22 December 1919 (st.bl. no. 846).

De beginselen, waarop de kieswet rust zijn vastgelegd in verschillende artikels' der grondwet. Het voornaamste daarvan is artikel 80, dat luidt als volgt:

„De leden der tweede kamer worden rechtstreeks gekozen-door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaar mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. Ieder kiezer brengt slechts éen stem uit.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesrecht wordt géschorst voor de militairen bij de zee- en de landmacht voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten zij, wien dat recht bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is ontzegd; zij die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd; zij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over hun goederen hebben verloren en zij die van de ouderlijke macht of de voogdij over een of meer hunner kinderen ontzet zijn. Aan onherroepelijke veroordeeling tot een vrijheidsstraf van meer dan een jaar of wegens bedelarij of landlooperij, zoomede aan meer dan twee, binnen een door de wet te bepalen tijdperk vallende, onherroepelijke rechterlijke uitspraken openbare dronkenschap vaststellende, verbindt de wet tijdelijk of blijvend verlies van kiesrecht.

De uitoefening van het kiesrecht is verplicht volgens regels door de wet te stellen."

De grondwetsartikels 127, voor de leden der provinciale staten, en 143, voor de leden der gemeenteraden, sluiten bij dit art. 80 aan.

Het tweede lid van art. 81 der grondwet schrijft voor, dat alles wat verder het kiesrecht en de verkiezing der leden van de tweede kamer der staten-generaal betreft — voor de verkiezing der leden van de provinciale staten en de gemeenteraden houden de alinea's 4 van de