Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

„Moerbeek, een Vlaminger, richtte het eerst te «Alkmaar eenen vierkanten oliemolen op. De door „verscheidene vernuftige uitvindingen met grooter „roem bekende Jan Adriaansse Leeghwater, wiens „naam in dezen tijd nogal genoemd is geworden, „deed in 1604, tusschen de Rïjp en Graft, eenen „achtkantigen molen voor zich bouwen; en, naar dit „model werden er, nog bij den leeftijd van Leegh„water vele anderen in de Rijp, te Wormer, te |isp, „te Wormerveer, te Zaandijk en voornamelijk te „Zaandam opgericht."

Leeghwater is overleden in 1650 en, aangezien de schrijver zegt: „nog bij den leeftijd van L", terwijl uit andere bron bekend is, dat de eerste oliemolen aan de Zaan is gebouwd ongeveer 1620 (de Oude Wolf te Zaandam, gesloopt in 1877), kan men vaststellen, dat de opkomst der olieslagerij als groote nijverheid in ons land, met name aan de Zaan, valt in het tweede vierendeel der zeventiende eeuw.

Zoodra de olieslagerij een werkelijke nijverheid werd, was het natuurlijke gevolg dat de handel in olie zich ontwikkelde en deze behoefte kreeg aan een vaste markt. Het ligt voor de hand dat deze werd gevonden te Amsterdam.

De kooplieden in granen, niet alleen de aldaar wonende, maar ook die uit de omgeving, in het bijzonder die van benoorden het IJ, waren sinds jaren gewoon, driemaal per week te Amsterdam samen te komen; reeds in 1493 wordt gewag gemaakt van een vaste vergaderplaats der kooplieden aldaar; in de 16e eeuw kwamen zij bijeen op het Water ter hoogte van de Oude Brug; deze plaats was op den duur zoowel voor de bezoekers als voor de bewoners ongeschikt; na een in 1547 mislukte poging een Korenbeurs aan te leggen op den Oudezijdsvoorburgwal, (de kooplieden wilden hun plaats op het Water, welke in de nabijheid van het Stads Accijns- en Korenmetershuis hun geschikter en doelmatiger toescheen, niet opgeven)

Sluiten