Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

is er ongetwijfeld in den mensch, en daarvoor moeten wij zeer dankbaar zijn, maar waar dat rechtsbewustzijn alleen bestaat in zoover het God behaagd heeft, de doorwerking der zonde te stuiten, past het den mensch niet, op dat bewustzijn een rechtsorde op te bouwen zonder naar een betere, meer vertrouwbare rechtsbron te zoeken.

Welnu, welke rechtsbron zou van hooger orde kunnen zijn dan de goddelijke openbaring? Gods Woord, Gods wet, zegt wat het recht Gods is. Niet in dien zin, dat voor ieder geval uit den Bijbel is op te maken wat het recht eischt, maar wel aldus, dat hij de allesbeheerschende beginselen van het recht, de eeuwige rechtsnormen bevat, niet van een autonoom, in zich zelf souverein, recht, maar van het recht Gods, beginselen, normen, uit welke, in verband ook met de natuur der dingen en de geschiedenis, alle recht kan worden afgeleid.

God openbaart zich toch niet alleen in Zijn Woord, maar ook, zij het op voor den mensch minder duidelijke wijze, in de natuur, die voor den mensch is als een boek, waarin hij lezen kan hetgeen God van hem eischt. Terwijl, naar het ons wil voorkomen, ook de geschiedenis der menschheid, de geschiedenis van het recht, veel kan leeren omtrent hetgeen in de samenleving als recht behoort te gelden. Gods leiding in de geschiedenis heeft ook voor het recht groote beteekenis. Het bouwen op wat geschreven is en wat is geschied geeft zekerheid en vastheid aan het recht.

Bronnen van het recht zijn voor den mensch, aldus opgevat, in de eerste en voornaamste plaats het Woord en de Wet Gods, en voorts het rechtsgevoel van den mensch, de natuur der dingen, zooals de mensch die door nauwgezet onderzoek kan leeren kennen, en de geschiedenis van het menschdom, bij welker bestudeering in dit verband natuurlijk de verschillende wetgevingen en hetgeen zij praktisch hebben uitgewerkt, in het oog moeten worden gevat.

Intusschen lette men er wel op, dat er is onveranderlijk en veranderlijk recht. De grondslagen, de beginselen, de normen van het recht wisselen nimmer. Deugd en ondeugd, recht en onrecht wisselen geen stuivertje. Onveranderlijk als God zelf is Zijn recht. Diefstal, echtbreuk en moord zijn nimmer recht geweest en zullen het nooit kunnen worden. Maar eerbiediging van hetzelfde rechtsbeginsel kan gepaard gaan met verschil in de uitwerking van het beginsel in de menschelijke wet.

Verschillen kan de menschelijke wet naar gelang van het volk, waarvoor ze gelden zal; al naar den tijd, waarin ze gemaakt wordt; naar mate der omstandigheden, de ontwikkelingsphase als anderszins, waarin het volk verkeert. In dien zin is er een ontwikkeling van het recht, een rechtsgeschiedenis, die, naar gezegd werd, bestudeering

Sluiten