is toegevoegd aan uw favorieten.

Korte lessen in staatsrecht en oeconomie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

verbindt om de hoofdverbintenis voor den schuldenaar te voldoen, indien deze daaraan zelf niet voldoet; en in den laatsten titel de dading, waarbij partijen tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak een aanhangig geding ten einde brengen of een te voeren geding voorkomen.

Bij deze drie boeken van materieel recht sluit zich een vierde boek van formeel recht aan, waarin, op grond, dat, wie beweert eenig recht te hebben of zich op eenig feit tot staving van zijn recht of tot tegenspraak van eens anders recht beroept, het bestaan van dat recht of dat feit heeft te bewijzen, de daartoe noodige bewijsmiddelen in een eersten titel noemt en in den tweeden tot zesden titel uitvoerig behandelt, n.1. het schriftelijk bewijs, het getuigenbewijs, de vermoedens, de bekentenis en den eed. Een zevende titel handelt ten slotte over de verjaring, waardoor men rechten verkrijgen respectievelijk verliezen kan.

XXX.

WAT IS HANDELSRECHT?

Hebben we in de eerste plaats onderscheid te maken tusschen het recht, dat geldt voor de verhouding van den onderdaan tot de overheid en omgekeerd en tusschen de overheidsorganen onderling, eenerzijds, en het recht, dat de verhouding der onderdanen onder elkander regelt, anderzijds, in de tweede plaats moet, wat betreft dit laatste recht, in algemeenen zin het burgerlijk recht, nog weer een scheiding gemaakt tusschen het burgerlijk recht in engeren zin, zooals het in het B. W. is neergelegd, en het handelsrecht, dat in hoofdzaak is te vinden in het wetboek van koophandel.

Waartoe deze scheiding? Men heeft gemeend, dat de handel behoefte had aan bijzondere rechtsvormen, die vooral rekening hielden met de snelheid en kortheid, waarmede in den handel vaak zaken zelfs van grooten omvang worden afgesloten. Als voorbeeld mogen dienen de bepalingen omtrent het getuigenbewijs. In het algemeen kan men lang niet alles door getuigen bewijzen; zoo b.v. kan men niet bewijzen door getuigen, dat een overeenkomst is aangegaan, die een schuld schept of vernietigt van meer dan f 300.—, noch dat men krachtens een overeenkomst, waarover een akte is opgemaakt, meer te vorderen heeft dan uit de akte blijkt, alles tenzij er een zoogenaamd begin is van schriftelijk bewijs. Die beperkingen nu heeft men, omdat in den handel zooveel