is toegevoegd aan je favorieten.

Ons doopsformulier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

308

in hoe hoogen graad die kennis er zijn moet, kan niemand, ook de belijdenis niet vaststellen. Voor elk kind des Heeren is dit weer verschillend. Maar het beginsel dezer kennis moet er zijn en wel in deze volgorde: Eerst de ellende, het zijn buiten God. Daarna de verlossing door „Gods Vaderlijke goedheid en barmhartigheid", en eindelijk de weg waarin voor die goedheid Gods dank moet worden geuit.

Aan een zinsnede als deze in ons formuher kan men eens zien hoe diep evangelisch onze vaderen waren, of liever, hoe zuiver evangelisch de door velen gesmade en versmade verbondsleer in haar kern en wezen is. Niet Gods heiligheid, nog minder Gods wrekende gerechtigheid, maar Gods goedheid en barmhartigheid stelt het formulier te dezer plaatse op den voorgrond. Goed beschouwd is de doop en ook het verbond zelf, waarvan de doop een zegel is, de gave van een verzoend God aan den mensch, over wien Hij zich in Christus reeds erbarmd heeft. Het is niet: Ik geef u het verbond, opdat gij mijn liefde verwerven zult, — maar: Ik geef u het verbond, omdat mijn liefde zich over u ontfermd heeft.

„Eer zij roepen, zal Ik antwoorden".

Maar als de tijd der onwetendheid voorbij is, dan eischt God een bewust aanbidden van zijn vaderlijke goedheid. „Wanneer ik een man geworden ben", zegt Paulus (1 Cor. 13 : 11). „zoo heb ik teniet gedaan hetgeen eens kinds was".

Dan komt het bekennen d. 1. belijden voor het aangezicht Gods en der menschen, hetwelk vrucht is van een erkennen, een toestemmen, van het geheiligd verstand. Voor het bekennen is noodig een inzien in die goedheid Gods. Geheel te doorgronden en te peilen is deze deugd nooit, evenmin als God zelf te doorgronden is. „Uw goedheid Heer is hemelhoog", zingt de psalmist. En wie kan met zijn hand aan den hemel reiken? Ook van deze kennis geldt het: zij is mij te groot en te wonderlijk (Ps. 131). Het betreft een liefde, die, in haar hoogste spanning, de kennis te boven gaat (Ef. 3 : 19). Nooit, zelfs in de eeuwigheid niet, zal eenig schepsel weten welke de hoogte, en breedte, en lengte, en diepte zij van de vaderlijke goedheid en barmhartigheid, aan den zondaar bewezen, toen hij nog in zijn zonde lag, en door den doop aan hem verzegeld, toen hij het nog niet verstaan, veel min God er voor danken kon.

Maar er is verschil tusschen een ten volle beseffen van de vaderlijke goedheid Gods. en een in het geheel niet beseffen, gelijk dat bij den onwetenden zuigeling wordt gevonden. En ook is er een niet te onderschatten verschil tusschen het bekennen van Gods goedheid, gehjk dat bi) den aanvankelijk toegebrachten christen en bijvoorbeeld bij een Paulus, den wijsgeer van het kruis, wordt gevonden.

Er is nog zooveel twijfel en kleingeloof zelfs bij Gods beste kind, dat het zuiver en zalig bekennen der barmhartigheden Gods in den weg staat en verduistert.

Daarom moet er een bidden en streven zijn. om meer en meer in