is toegevoegd aan je favorieten.

Ons doopsformulier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

313

•wel uit het feit, dat zij in art. 34 der belijdenis den doop een merken veldteeken van Jezus Christus noemen.

Dit gedoopte kind is dus een jonge recruut, die door het sacrament (krijgseed) het staand leger van Christus wordt ingelijfd. Van zijn geboorte af is zijn plaats in het leger van Koning Jezus, en zoodra hij ze dragen kan moet hij de wapenrusting zijns Konings aan.

In het wonder, dat de gemeente voor dit gedoopte kind bidt „dat het vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden moge" ?

Het is een bede, die treffend in het kader van het doopsformulier past.

Maar niet slechts het feit, dat ons formulier in dit gebed de strijdidee inlascht, is merkwaardig; ook de wijze waarop het dit doet verdient onze aandacht.

Eerst worden de vijanden genoemd waartegen de christen in 't strijdperk geroepen wordt.

Het zijn er drie: de zonde, de duivel en het rijk der duisternis.

Arm kind, dat nu nog in moeders armen sluimert, die doodsvijanden (Catech. Zond. 52) wachten u op in het leven.

Ja, wel mag de gemeente Gods over u genade van boven afsmeeken.

Elk der drie vijanden is op zichzelf machtig genoeg den jongen, krijgsknecht van Christus te verpletteren.

Daar hebt ge de zonde, d.i. het booze vleesch, het arglistige hart. de natuurlijke mensch, het beginsel van het kwade, dat ook dit kind met zich omdraagt.

Daar staat de duivel, die zich over den wieg buigt en ze met zijn legioenen omzweeft, evenzeer als Gods engelen dit doen.

Maar dan strekt ook de wereld, dat „gansche rijk" des duivels,, reeds haar vangarmen naar dit kindeke uit en reeds zijn de strikken gespannen, de kuilen gegraven, die het ten val moeten brengen.

Naar zijn natuurlijk bestaan gerekend heeft dit kind niets mee, maar alles tegen. Alles legt het op zijn ondergang toe. Want een zeker, dichter (Vondel) moge het leven vergelijken met een schouwtooneel, een kluchtspel is dit leven niet Het is bittere ernst, en niet in een spiegelgevecht waarin het alleen om de eere der overwinning gaat. wordt dit kind door de bevallig lonkende wereld en den in engelenglans stralenden duivel gewikkeld, ~ 't gaat op leven en dood, voor eeuwig er op, of voor eeuwig er onder.

Doodsvijanden noemt de catechismus hen, en dat zijn ze, want met minder dan den dood van dit bondskind zijn ze niet tevreden.

En is het nu niet gepast, dat voorts in dit gebed gevraagd wordt voor den kleinen bondeling, dat het vromelijk tegen die vijanden strijden moge.

Vergis u in dat woord vromelijk niet. De gewone beteekenis, die er in ons woord vroom zit, moogt ge er hier niet in zoeken. Oudtijds had het woord vroom een geheel anderen zin, nl. dien van dapper» energiek. Denk aan het oude Wilhelmus, waar het luidt: