is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van de Nederduits Hervormde Kerk in Zuid-Afrika

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De Nederduits Hervormde Kerk als Staatskerk. De Grondwet.

Door de velerlei verwarring waarover in het vorig hoofdstuk gehandeld is, was van een geregelde wetgeving in de eerste iaren van de Republiek nauweliks sprake. De Staat bezat zelfs niet eens een Grondwet. Het enige, wat in de richting van een Grondwet wees, was de „Drie en dertig Aritikelen, die m 1844 te Potchefstroom waren opgesteld en in 1849 te Derdepoort door de Volkraad waren goedgekeurd1). Daarin was bepaald dat „In alle gevallen waarin deze wetten tekort mogten komen zal de Hollandsche wet tot basis verstrekken, doch op eene gematigde stijlvorm en overeenkomstig van het costuum van Zuid Afrika en tot nut en welvaart van de maatschappn". Een brede be-oaling fe breed voor een behoorlike toepassing, vooral waar een Centraal Bestuur ontbrak. Zo kon het niet langer gaan. De Volksraad besloot dan ook in September 1855 *) een behoorlike Grondwet te doen optrekken, en benoemde daarvoor «en kommissie, waartoe o. a. ook de latere President, de heer Paul Kruger, behoorde. Op 1 Oktober van dat jaar nam •deze kommissie te Potchefstroom een aanvang met haar werkzaamheden. Het waren allen Voortrekkers, zonder techniese opleiding, geschoold in de praktijk van het leven, in Zuid Afrika s wildernissen. Zü zouden de grondslagen leggen waarop deRepubnek gebouwd moest worden. Van hen gold ook het woord, dat een van de eminentste Staatshoofden van deze Republiek, die nu al tot het verleden behoort, geschreven heeft ter herinneringaanhaar grootste zoon: „de Afrikaner is een geboren wetgever ») Deze

i) De Locale wetten der Z. A. R. 1849-1885, blz.

2 Het was deze Volksraad, die C. Potgieter van Lydenburg „veroordeeld" had wegens goedkeuring van het adres van de Lydenburgse •Gemeente aan de Kaapse Synode. Zie blz. «*■ .

*) Herinneringen aan President Kruger door Dr. W. J. Leyds, in de ^Dietsche Stemmen" Mei en Juni 1918, blz. 206.