is toegevoegd aan uw favorieten.

De gelukzoeker

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik kom u eens vragen, hoe maakt ze 't, m'n vrouw,' deed hij abrupt. De zeer jonge dokter trok zijn kleiner mond nog kleiner: „die flauwtes staan mij niet aan,'' treuzelde zijn stem; ,,'n heel zwak hart."

„En deze bevalling?"

„Hoe bedoelt u?"

„Gaat dat alles goed?"

„Goed, goed, u weet toch dat we op een fausse couche verdacht moeten zijn, dat het kind waarschijnlijk niet leeft" , „Niet leeft?!" Opgesprongen was hij, het stijve, moderne voorkamertje van den jongen dokter weer uitgegaan. In het nauwe gangetje kwam hij tot bezinning: deed hij dwaas?

Zijn studentikoze luchthartigheid uit 't eerste jaar van zijn leeraarschap had hij gaandeweg verloren; steeds nauwer had het kleine stadje hem de ketens omgelegd van burgerlijke omgangsvormen. „Ik schrok daarnet wat," stotterde bij, „u moet me maar niet kwalijk ..." „Welnee, welnee, heel begrijpelijk." Toen stond hij wat beteuterd nog op den schemergrauwen angelweg. De bocht van den singel, waaraan 't huis van den dokter lag, liep bij ten eind, sloeg dan, bij een brug gekomen, een stadsstraat in, volgde daarna met een ijl stroompje menschen mee de drukste straat der stad. Hier was wat vroolijkheid. De lichten der winkels wierpen de stoepen vol met hun gelig witten glans. In 't donkere stadje was dit gaan door een verlichte straat de poovre avondfeestelijkheid. Een kinderlijke verheuging en een kwijning van levensvreugd was er tegelijkertijd 1n de gezichten der meiden en jongens, die hier op en af flaneerden: een ▼erlangen naar vroohjkheid, waar het nooit geheel toe

115