is toegevoegd aan uw favorieten.

De hooge toren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

„Vooruit! vooruit! Als jij na de directeur van 't fabriek was gegaan en je had der 'n woordje van gezeid, dat 't je speet of zoo, dan had hij je weer genomen, al was 't dan in 'n lagere betrekking en dan had je kennen opklimmen en. .. Jezus!"

Zij sprong op, ontsteld door den slag die Vermeers hand op de tafel mokerde.

Doch haar schrik ontging hem. Woedebevend stond hij tegenover haar, zijn bleeke kop als een witte vlek in het schemerige licht

„Zou jij... dat van. me willen?" stootte hij uit, zijn oogen oplichtend in drift.

Jans zonk terug in haar stoel en uitbarstend in huilen, kermde zij: „ik weet 'tniet! ik-weet 'tniet!"

Zijn drift slonk tegenover haar verslagenheid.

Neergeploft op den eersten stoel den beste, tegen den wand, zat hij daar in 't donker, met diep neergebogen hoofd, de handen aan de slap neerhangende armen tusschen zijn knieën.

En terwijl het klagelijk smartgekerm van zijn vrouw hem in de ooren drong als een aanklacht, besefte hij voor 't eerst volkomen, hoe zij leed en hoe groot haar teleurstelling moest zijn.

Een zacht wijd medelijden stond in hem op, medelijden vooral omdat zij niets had, dat de armoede dragelijk maakte.

„Als je maar met mijn mee wou leven," zei hij zacht. En dringend: „ga zaterdag mee na de vergadering waar Verdiezen spreekt over „de taak van het proletariaat." Dat zal je goed doen."

Zij schudde 't hoofd, verdrietig, zonder opstandigheid, haar stem klonk eentonig, moe van 't huilen. „Mijn doet dat geen goed. Mijn doet 't goed as ik de kinderen alles ken geven wat ze noodig hebben. As ik Henk van de straat ken houwen en 'm wat ken laten leeren."

„Ik wou Henk ook meenemen zaterdag."

„Henk? dat zal je laten!"

Zij sprong op als in plotselinge pijn, maar dadelijk weer teruggezakt, zei ze met matte gelatenheid: