is toegevoegd aan uw favorieten.

De hooge toren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii3

nauw bewust, en waarvan hij niet trachtte de oorzaak op te sporen; toen hij zijn vader, die hem tegemoet kwam, van het bezoek vertelde, kon bij niet anders zeggen dan dat Mevrouw en allemaal erg vriendelijk waren geweest.

„Vroegen ze nog na mijn?" informeerde Vermeer.

„Ja, effetjes. Of u werk had."

Henk zag in verbeelding weer 't medelijdende gezicht van Mevrouw en in eens met haastig gebaar greep hij vaders arm, drong dicht tegen hem aan.

„'t Is 'n flinke warme jas," prees Vermeer.

„Ik stik er in!"

Henk trok de jas uit, hing hem over zijn arm.

„Wat doe je nou?" wonderde Vermeer, zijn vragende oogen op 't vuurroode gezicht van den jongen.

„'t Is te warm voor die jas; ik ben 't niet gewoon," stotterde Henk, sneller voortloopend.

Vermeer vroeg niets meer. Hij begreep wel zoowat, wat er omging in den jongen: dat moest hij met zichzichzelf uitvechten.

Henk dacht er over of hij aan vader zou zeggen, hoe hij veel hever wou, dat vader hem de jas had gegeven, maar dat zou vader vanzelf akelig vinden. Nee, daar moest hij z'n bek over houden... wat 'n lamstraal was hij om dat te willen zeggen!

En plotseling weer heesch hij zich in de jas.

„Hij staat fijn, niet?" vroeg hij met een harden lach.

De hooge Toren.

8