Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Suctfcr.

469

Ittfrietett.

SJu'cifer, zie Suaifer. Uucl'lie, ro. = Lucille.

i*üc'fe, ro. —, -n = spleet, bres opening; leemte; tekort; 8..n reifjen = bressen schieten; zie ouêf Uilen.

8üc'fenbiif;cr, m. = gatstopper, bijlooper; plaatsvulling; stoplap; bladvulling.

HiCfen baft = vol leemten, gebrekkig, onvolledig.

üüc'fcnbaftigfcit, ro. - = gebrekkigheid, onvolledigheid.

lüc'fenloö = onafgebroken, zonder leemten,

Sucre'tia zie Sufretia. [ten volle.

8u'ber, f. — t, — = loeder, kreng, prij, beest.

yu'.erleben, f. = liederlijk leven.

lü'bcrlioj, zie 1 te ber lid)

lu'bern, fd)m. (b.) = lokken met aas; onzedelijk,

S!u'bolf, m. — Ludolf. [losbandig leven.

8ub'tuig, m. = Lodewijk.

Sub'totgglieb, f. = Lodewijkslied.

Haft, ro. —, Süfte = lucht, adem; an bte 8. bannen, ftetten = luchten, in de open lucht zetten; einen an bie 8. feben = iem. de deur uitzetten; in bie 8. ftiegen, fprengen = in de lucht vliegen, laten springen; feinem ©ergen 8. madjen = zijn hart lucht geven; fn bte 8 reben = in 't honderd praten; etm. aus ber üuft greifen — iets uit de lucht grijpen; baS [legt, fdjroebt in ber 8. = dat zit in de lucht; bie 8. ift rein {fig.) — het terrein is vrij, er is niets te vreezen; er tft fflr midj 8. = hij bestaat voor mij niet.

guft'art, ro. = lucht-, gassoort,

luft'artig = luchtvormig.

Sttft'llbab, f ; .ballon, m.; sbereitung, to. lucht|bad; -ballon; -bereiding..

«uft'lbcfdjnffenbeit, ro.; .befdjreibung, ro.; sbilb, f.; =blafe, ro. = lucht)gesteldheid; -beschrijving; -beeld; -bel (-blaas).

güfi'eben, f. -s, - = luchtje, koeltje, tochtje, zuchtje, zacht windje,

luft'bidjt = luchtdicht.

SuTt'Mdjtigtetténieffer, m. = manometer.

Suft'bvurt, m. = luchtdrukking.

SJuft'brutfeifenbabn, ro. = luchtspoorweg.

lüf'tett, febro. (b ) = luchten, ventileeren; (ein (jfmnter, Setten) luchten, uit- of doorluchten; (bte Söruft) verlichten, lucht geven aan;(@djleier, SBot bang) omhoog doen, opheffen; (ben #ut) even afnemen,

8nf»'||elettrijitöt, ro.; -etidjcitiung, to.; =fabrer, m.; sfabrt, ».; >fang, m. = lucht|elektriciteit; -verschijnsel; -reiziger (-schipper); -reis; -trekker (ventilator). J

luft'förutig = luchtvormig.

8uft'gcbil»e, f. = hersenhim, fata morgana.

guft'll gef ofte, SBI; «gegenb, ro.; = geft alt, ro. = lucht||vaten; -streek; .gestalte.

8uft'b(tjung, to. ™ verwarming door warme lucht.

tuf'tin = luchtig, koel; etherisch, uit luchtbestaande, licht, doorzichtig, luchtig; luchtig, zorgeloos; ber luftige Sampf mt de strijd in de lucht (tusschen zonnelicht ea nevel); bfe lufttgen ©efebrotfter = de feeën ia de lucht; bat Iuftfge ©efïnbel = 't volkje in de lucht.

Suf'tituè, m. —feS, —fe - windbuil,blaaskaak.

8uft'| fiifen, f.; -Hoppe, ro.; <trei«, m. = luchtj|kussen; -klep; -kring (dampkring).

ifuft'tugel, ro. = bol met lucht of gas gevuld.

SSuft'fur, ro. = lucbtkour.

8uft'furort. m. = luchtbad(plaats), lucbtkuur-

luft'leer = luchtledig. [oord.

üiifritttg, m. -(e)5, -e = lichtzinnige, ■ 8uft'linie, ro. = (afstand) hemelsbreedte; in

bCr 8. = (ook) in de rechte lijn. öuftllodj, f.; «moffe, to.; -meffer, m. =

lucht||gat; -massa; -meter. Suft'llraeftfunft, ro.; =puinpe, ro.; =raunt, m.

= lucht||meetkunde; -pomp; -ruim Kook:

met lucht gevulde ruimte). Suft'Hreinigung, fo.; =reifc, ro.; «röhre, ro. =

lucht| reiniging (-zuivering); -reis; -pijp (-buis). 8uft'róf)renj|cntjiinbunB, »; =frt)nitt, m.;

:fctjttinbfuct)t, ro. = luchtpijplontsteking;

-snede; -tering.

Suft'Hfaule, m.; «fdjldjt, to.; «fnjiff, f. =

luchtlikolom; -laag; -schip. Sufrjlfdjiffer, m.; =fdjlffabrt, ro.; -fdjlofj,

r. = lucht|schipper; -scheepvaart; -kasteel, iiuft'lifplegelutig, ».;>ffringer, m.j.fprung,

m. = lucht)spiegeling; -springer; -sprong, üuft'ftrcidj, m. = slag in dé lucht. «uft'Bftridj, m.; =ftrotn, m.; =ftrömuttg, ro. *

luchtljstreek ; -stroom; -strooming. iSüf'tung, ro. — = 't luchten, ventilatie, 8uft'||berbidjtung, ro.; =berbiinttung, ro.;

■-maat, ro. = luchfj|verdichting; -verdunning;

-meter.

Suft'toedjfel, m. = verandering van lucht. Suft'jiefjer, m. = luchttrekker, ventilator. 8»ffgag, m. = tocht.

I. SSug, m.: 8. unb £rug = leugen en bedrog.

II. 8ug, f -(e)S, —e = (kijk)gat, -opening; (fübb ) hol; ook = Sudj.

8uaa'ner 6ee = meer van Lugano.

8u'ge, to. -, -n «i 8ug II.

8ü'ge, ro. —, —n = leugen; einen Sitgen

ftrafen = iem. logenstraffen; einen ber 8.

aeiben = iem. heeten liegen, lu'gen, fdjro. (bO = (gewest.) kijken, loeren,

uitkijken.

lii'gen, ft. (b.) (tdj lüge; log; loge; lügel ge. logen) =. liegen, jokken; er tügt ttt feuten SBeutet = hij liegt in zijn eigen geldelijk voordeel, hij liegt naar zich toe; er Ittatttt . feinen $alt = hij liegt tegen beter weten in, beliegt zich zelf; zie brucfen.

Sü'genbeutel, tn. " leugenzak.

Sii'genfürft, m. = vader van de leugen, satan.

öii'gengeift, m. - leugengeest.

lü'genb'tft = leugenachtig.

Sii'genboftigfeit, to. — = leugenachtigheid.

öü'genntaul, f. = leugenzak, -tan, leugenaar.

üii'genproptjet, m. = leugen-, valsch profeet.

Sug'ger, zte flogger.

8ug'itté)lanb, m. = kijk-in-'t-iand, wachttoren, uitkijkt toi en).

Süg'ner, m. — s, — = leugenaar; er toirb baron jum 8. merben = dat zal hem ala een leugenaar tentoonstellen; an einem gum 8. roer ben = iem bedriegen.

lüg'nertfdj p= leugenachtig, valsch.

Snté'djeu, f. = Louizette, Wiesje.

öui'fe, to. — Louize.

Su'taï, m. = Lukas; vgl. 8ucd; ber (teine 8. = 't hoofd van Jut; ben deinen 8. bonen — slaan op 't hoofd van Jut.

Su'te, to. —, -tt = luikgat, gat ia 't dak, of in 'tdek van een schip, lichtgat, luik.

Sut'to, f. = Lucca.

lutratib' scs lukratief, winstgevend.

Sufre'tio, to. tm Lucretia.

SufreV- m. — Lucretius.

SJufre'jta, ro. = Lucretia.

lutrie'ren, fdjm. (b.) = winnen, verdienen.

Sluiten