Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wuitijtpalbeatitieft). 502

^inftflefjtet.

ÜMttnijipal'benmtclr), m. = gemeenteambtenaar.

SOlunijipalitöf, to. -, - en = municipaliteit, gemeenteo verheid.

utun'fefn, ftbtn. (ij.) — mompelen, tluisteren; man munfelt offerlef — er wordt van allerlei gemompeld, er loopen allerlei geruchten; tm SSunteln ift gut m. = 't donker is goed voor geheime afspraakjes.

aftunfciet', m. —>-*-ett = gemompel, gefluister. SDiün'fter, m. u. }. — 3, - = domkerk, hoofdkerk, dom, kathedraal.

mun'ter = monter, vroolijk, opgeruimd, levendig, opgewekt, wakker, waakzaam, flink, gezond, frisch, welvarend; fjalt(e) bid) m.! = hou je goed 1

SViun'terfeit, to. - = monterheid enz. SD2ung'||abbrud, m.; :abfatl, m.; ;amt, (.; •attftolt, to. —- munt 1 afdruk; -afval;-kamer;

SDliing'ibcanite(c), m.; sbefdjirfung, w.; =be= fdjreibung, to. lm, munt||beambte; -alliage; -beschrijving. .

SDiiinj'||bt»tt, m.; =bud), f.; <bunb, m. =

muntjlblok; -boek; -unie. to i

SDtütt'je, to. —, — n = munt (gebouw, geld, specie, geldstuk, muntrecht); (gedenk)penning; ook = SDt tnae; zie ook bar, be ja hl en.

SDiiing'etnbett, to. = munteenheid.

miin'jen, fdjtt). (tj.) = munten, aanmunten.

orAA „laan riunnaU. ^ 1 I.-. . r ,. '

flemüRgt = dat is; op hem gemunt SDiün'jentenner, m. = muntkenner, penningkundige, numismatikus. SDÏiin'jer, ta. —t, — = munter. !)«iittj'||ftttfdjer, m.; =fnlfd)ltttg, tn.; sfttf»,

m. = munt|vervatscher (valsche munter);

-vervalsching; -voet (-stelsel). SDiiinallBebnlt, m.; ,getotdjt, f.; =fabinett,

f. >»,znunt||gehalt; -gewicht; -kabinet SUliins lltoften, SBt.; =runbc, m.; mtetfter, m. =

muntfjloon; -kunde; -meester. SDliins'llorbnung, to.;.paritöt, to.; ,pragung,

to.; spvobe, to. = munt||reglement;-pariteit;

-ing; -onderzoek.

•Jjiitnj'probierer, nt. — essayeur. SDiiinj'rot, m. = lid van 't kollege vanmuntImeeeters.

SDliina'redjt, f. = muntrecht. SDliiltj'regat, f. = landsheerlijk recht om munt te slaan, muntrecht.

SUiünj'fdjreiber, m. = schrijver aan de munt. SDlüna'forte, to. = muntsoort. SDiüna'ftaSt, to. = stad, die een munt of 't muntrecht heeft.

SDtiina'llftentpel, m.; =ft)fteut, (.; =unioit, ttt.; stterein, m.; stouge, to. = munt|stempel; -stelsel; -unie: -unie; -schaal (-waagj. SDiünaltoorbein, nt.; =toert, m ; =tuefctt, f.; -toiffenfttjaft, ts.; =aeid)en, f. = munt||opzichter (essayeur); -waarde; -wezen; -wetenschap; -teeken (-merk). SDiura'ue to. —, —n = murene (een zeeaal, vooral in de Middell. Zee). SDiiirb'broten, m. = (gebraden) runderhaas. L ntiir'be — murw, week, zacht, malsch (vleesch ' bijv.), bros (gebak, ijs); voos; uit elkaar vallend, half vergaan; m. fein, toerben, maajen = ^murw., mak, gedwee zijn, worden, maken. II. SDlür'be, SDiür'bigteit, to. - = murwheid enz. SDiu're, to. —, —n = modder-, puinstortbeek. uturf'fett, fdjto. (tj.) — knoeien, verknoeien; vermoorden, mollen.

SDlur'mel, m. -S, — = knikker; S8L fbtelen = knikkeren.

mur'metn, fdjto. (tj.) = mompelen, brommen, fluisteren, prevelen, murmeleny kabbelen; knikkeren.

SDlur'meltier, f. mt marmot. ÜWur'uer, m. -S, - = kater, Tibert (in het dterepos).

mur'ren, fdjto. (fj.) — morren, pruttelen, brommen, knorren.

mür'rifdj = pruttelig, brommig, knorrig, wrevelig.

SDlurr'fopf, m. = knorrepot, brompot, brombeer, pruttelaar.

murr'föpftg, zie mit r rif dj.

SDÏurr'ftnn, m. = knorrigheid, gemelijkheid.

SDlnê, f. —et, -e u. SDtiifer — moes, brij, fijn gestampte kost; (Noordd. vooral van vruchten) gelei,jam; bat SDI. nerf batten = de zaak bederven; SDt. unb SBrot = kost; bat ift SDt. toie Sötine = dat is lood om oud ijzer.

SDlufoget', at. —en, —en = muzevriend.

SDht'fetje, to. —, —n = mouche, schoonheidspleistertje.

SDlu'fftjel, to. —, —n — mossel, schelp, schaal. SSiu fojelbunf, U. = schelp-, mosselbank. SDiufdjetei', to. —, —en = bedriegerij, geniepigheid.

SDtu'frtjelerbe, to. = schelpaarde, mergel. SVtu'fdjetfong, m. mt mosselvangst, mu'fdjelfórmig = mossel-, schelpvormig. SDtu'fdjelgolb, f. = schelpgoud (g. in schelpen voor schilders).

ntu'fdjelboltig — met schelpen vermengd, mu'fdjtejlidjt, mu'fd)(e)Iig = schelpachtig,

schelpvormig; week, zacht,mollig, behaaglijk. SDiu'fdjeliltotf, m.; =lcbre, to.; =mormor, m. =

schelpHkalk; -kunde; -marmer, mu'fdjeltt, fcbto. (b.) = bedriegen, in 't geniep

doen; fid) ut, — zich nestelen. SViu'ftnelfoal, m. - schelpzaal. SDtu'fdjelfammlnng, ro. mm schelpekabinet. SDtu'fdjetfdjote, to. = (mossel)scfaelp, schaal. SDtu'fdjelllftlber, f.; -tier, (.; .toert, f. =

schelp | zilver (z. in schelpen voor schilders);

-dien).-werk.

SDtu'f e, to. —, —n = muze, godin der kunst. SDlu'felmnn, —en, -en, SDtu'fetmonn, —(e)3,

.. tnanner = Muzelman, lUonammedaan. mu'felmonifdj, mu'felmannifd) = Muzelmansch.

SDtu'fenlIolmanod), ra.; *berg, m.;=gott, ra. =

Muze||almanak; -berg (zangberg, Parnassus); -god (Apollo).

SDtu'fenfotjtt, m. = Muzezoon, dichter, student. SDtu'fentempei, nt. = Muzetempel. SDtufe'um, f. -S, ..feett = muzeum. SDtud'hörnmen. f. = iamhorentie leen trahakieY

mufiert' = met mozaïek versierd, ingelegd, SDiufif', to. - «muziek; ftilte SDt, madjen = zijn mond houden.

SDtufifoiien, SBt. = (gedrukte of geschreven) muziek.

SDiufifaiienbanblung, to. = muziekhandel.

mtiftfa lifdj = muzikaal.

SDiufifont', m. —en, —en = muzikant; bier

fttjen bte SDi..en = hier zitten de centen, de

dubbeltjes enz.

SDluftton'tentifd), m. = kleine tafel, bijtafel. SDtuftf bireftor, ra. =- orkestdirekteur. SDJu'fifer, m. —8, — = muzikus, artiest. SDlufit'llfeft, f.; ;forpë, f.; =lebrer, m, = mu-

ziekjjfeest; -korps; -onderwijzer.

Sluiten