is toegevoegd aan uw favorieten.

Vertellingen uit de Duizend en één nacht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX

EL BOENDOEKANI.

3

Toen zy echter inplaats van een kleine koperen munt een goudstuk in haar hand voelde, hep zy* Dsjaafar achterna, hem toeroepende: „Wacht even, o schoone jongeling!"

Hij keerde op zijn schreden terug en zy vroeg hem: „Hebt gij nuj dezen dinare geschonken uit menschhevendheid, of om er een dienst voor terug te vragen ?"'-

Hij antwoordde: „Ik gaf u het goudstuk uit naam van gindschen jongen man, die nuj verzocht, het in uw hand te laten glijden."

Nu sprak de vrouw: „Vraag het hem dan, en deel nuj mede, wat hü er mee heeft bedoeld."

Dsjaafar ging nu tot den Kalif en bracht hem haar woorden over, en deze sprak: „Ga tot haar en breng haar de boodschap dat ik haar het goudstuk uit menschhevendheid heb geschonken." De Vizier deed dit en zij antwoordde: „God, de Verhevene, beloone hem!"

De Vizier keerde nu weer terug tot den Kalif en deelde hem mede, dat zü voor hem had gebeden. Nu zond Haroen er-Rasjid hem nogmaals tot haar, zeggende: „Vraag haar of zü getrouwd is of niet, en of zy, wanneer zij nog een jonkvrouw bhjkt te zyn, myn vrouw zou willen worden."

Dsjaafar bracht haar nu de eerste vraag over, en zy' antwoordde: „Ik ben nog ongetrouwd."

Nu sprak Dsjaafar tot haar: „De jongehng, die u den dinare schonk, wenscht met u te trouwen," en zü antwoordde: „Als hy" in staat is de bruidsgift en het speldengeld, dat ik begeer, te betalen, zoo ben ik bereid, zyn vrouw te worden."

Dsjaafar sprak tot haar: „Noem my' de som, welke gy' eischt."

Zü antwoordde: „Wat het speldengeld betreft, ben ik tevreden met het inkomen van de stad Isfahan en als bruidsgave eisch ik het inkomen van de stad Chorasan."

Hoofdschuddend keerde Dsjaafar terug tot den Vorst der