is toegevoegd aan uw favorieten.

Het purperen levenslied

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den hoogen bebloesemden boom voor het kleine kloosterraam boven den tuin zat een donzig vogeltje. Het zong. De trillertjes verzamelden zich in zijn keeltje, leefden daar als dooreengeworpen, fijn klinkende metaaltjes een oogenblik en tikkelden dan de lucht in, rein en zuiver, hoog als een kinderlachje in den slaap. De tak, waarop zijn pootjes vasthaakten, wiegelde onmerkbaar, toch heten de meest uitgebloeide bloesems los en regenden stil naar beneden, met de trage wendingen van moeië vlinders.Ze bleven op de grassprietjes van 't perkje beneden rusten, en ineens was daar een bloembedje, als een vroohjke lach in den ernst van het effen groen en grasvlakte rondom, die ver, onberispelijk als een gesteven Zondagskleed, uitgolfde tot aan de hooge steenen tuinmuren.

Het vogeltje zong en zijn keeltje scheen niet moe te worden. De ochtendstilte in ging zijn stemmetje en heel de ontwakende lente vierde er feest in. Kwam het diertje vanuit de bosschen rondom, vanuit de tuinen ginder of had het geklapwiekt boven het diepe meer tusschen de heuvelen en had het van heel dien natuurrijkdom een weinig meegebracht naar den stillen kloostertuin om te laten glanzen tegen de sombere gevels alsof het zeggen wilde: De wereld is zoo mooi en zoo rijk en 't leven zoo diep en hier weet men 't niet? Maar de jonge monnik, die gespeeld had met de eerste zonnestralen die over zijn leger dansten en die nu voor zijn venster stond en keek naar de wiegende bloesems die zich coquet en loom bewogen onder de kussen van den wind, voelde zich week en ontroerd bij 't zien van dit kleine stukje natuur, en 't fladderen der witte bloempjes langs zijn raam. En omdat hij niet uit devotie, alleen maar om in afzondering van de wereld te

107