is toegevoegd aan uw favorieten.

Historische nota over de grondbeginselen van artikel 57 van het regeerinsreglement (persoonlijke diensten der inboorlingen) met een voorstel tot wijziging van dit wetsartikel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

ring van kampongpolitiediensten geregeld kan worden bij gewestelijke keur, ingevolge artikel 72 van het Regeeringsreglement.

En daarvan is de Raad niet zeker, al zijn keuren van die strekking meermalen — echter niet overal — vastgesteld.

In de Inlandsche gemeenten moet de vordering van kampongpolitiediensten geacht worden uit te gaan van de dorpshoofden ter voldoening aan hun opgelegde verplichtingen (zie o.a. artikel 11 van het Inlandsen Reglement en vergelijk artikel 16 van de Inlandsche Gemeente-ordonnantie in Staatsblad 1906 n? 83), terwijl het Gewestelijk Gezag, krachtens de 2de alinea van artikel 71 van het Regeeringsreglement ten aanzien van die diensten wel is waar langs administratieveh weg herhaaldelijk regelend optrad, doch meer bepaaldelijk in beperkenden zin.

Met Inlandsche gemeenten zijn echter de wijken van Vreemde Oosterlingen publiekrechtelijk niet gelijk te stellen.

Staat het nu wel vast, dat de wetgever — daargelaten of dit de gewestelijke of de ordonnantiewetgever zou moeten .zijn — bevoegd is van die lieden persoonlijke wijkdiensten dan wel betaling tot afkoop daarvan te vorderen, met de bedoeling de afkoopgelden niet ten bate te doen komen van 's Lands kas doch ondershands aan te wenden tot betaling der afgekochte diensten; m. a. w. kan de wetgever, dusdoende feitelijk eene belasting: heffende, niet ten behoeve van den Lande maar ten bate van de wijk of vestiging van Vreemde Oosterlingen, verrichten wat het bestuur van de wijk of vestiging zou kunnen en moeten doen indien die wijk of vestiging rechtspersoonlijkheid' had?

Zoo ja, mag dan een dergelijke regeling gerekend worden tot de competentie van den gewestelijken wetgever en dus, in de gebiedsdeelen met zelfstandig bestuur, tot die van de locale raden ?

Beide vragen vereischen, naar het den Raad toeschijnt, nadere overweging, in afwachting waarvan de ten aanzien van de wachten rondediensten van Vreemde Oosterlingen in de voormalige onderafdeeling „Hoofdplaats Padang" bestaande toestand ware te handhaven. * Die toestand moge geen legalen grondslag hebben, hetzelfde is van andere streken te zeggën, en die 'omstandigheid dwintg nog niet tot overhaaste wettelijke voorzieningen.

Voormelde beschouwingen gaven het Hoog College aanleiding om te adviseeren:

a. den Gouverneur van Sumatra's Westkust telegraphisch te gelasten met 1 Januari 1909 in de geheele vaakgenoemde voormalige onderafdeeling Hoofdplaats Padang te doen staken de vordering van Vreemde Oosterlingen van de in Staatsblad 1858 n! 66 bedoelde diensten of tot afkoop daarvan strekkende gelden, onder toezegging eener nadere bescbikking aangaande de „wacht- en rondediensten" van die lieden;

b den Directeur van Binnenlandsch Bestuur uit te noodigen zijne voorstellen, in verband met de vorenstaande beschouwingen v. z. n. in nadere overweging te nemen.

De Gouverneur-Generaal kon Zich met 's Baads opmerkingen en voorstellen vereenigen. Bij de missive van den lsten Gouvernements-Secretaris van 30 December 1908 n? 3714 en het Begeeringstelegram van denzelfden dag n* 1456 werden dientengevolge de Directeur van Binnenlandsch Bestuur en de Gouverneur van Sumatra's Westkustin den door het Hoog College aangegeven zin van instructies voorzien.

Aan bedoelde opdracht werd door genoemden Departementschef voldaan bij zijn schrijven van 10 November 1909 D? 3497, waarin deze het vroeger door hem • ingenomen standpunt nader verdedigde:

De reden, waarom het Hooge College — aldus 's Directeurs betoog — de voorgedragen verordening onnoodig achtte — het betreft hier inzonderheid de bepaling onder Ten eerste, sub a.