is toegevoegd aan uw favorieten.

De Inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

Art. 9.

95» De af te trekken kosten. Artikel 7 laat ook bij beroepen waaraan vaste inkomsten zijn verbonden, aftrek toe voor beroepsonkosten. Daar van zelf die onkosten over dezelfde periode moeten worden berekend, waarover het inkomen berekend wordt en a priori de grootte der te maken onkosten niet met zekerheid is op te geven, laat de wet begrooting der onkosten toe. Belastingplichtigen zullen dus bij hunne aangifte kunnen opgeven het bedrag dat door hen gemiddeld per jaar wegens beroepsonkosten wordt uitgegeven. Van zelf is de administratie bevoegd het opgegeven bedrag te verlagen indien het naar hare overtuiging te hoog gesteld is, zie ook No. 73.

96. afloopende bijdragen voor pensioenen. Onder afloopende bijdragen voor pensioenen en fondsen moeten wat betreft de weduwen- en weezenfondsen van Landsdienaren worden verstaan de buitengewone bijdragen. Het is niet altijd mogelijk dergelijke bijdragen te brengen in mindering van het inkomen over het kalenderjaar, waarin de bijdrage verschuldigd- is. Zoo zal b. v. een landsdienaar, die in Juli, nadat zijn aanslag reeds is vastgesteld, bevordering maakt, de alsdan verschuldigde buitengewone bijdrage aan het weduwen- en weezenfonds niet meer in mindering kunnen brengen van zijn inkomen over dat jaar. In dat geval mag hij het volgende jaar het bedrag daarvan in mindering van zijn inkomen brengen.

De vraag, die men zich hier te stellen heeft, is dus deze: Heeft de belastingplichtige, toen hij aangifte deed, met de buitengewone bijdrage rekening kunnen houden? Zoo niet dan zal hij zulks alsnog het volgende jaar mogen doen; had hij het wel kunnen doen, doch heeft hij het verzuimd en de administratie het verzuim niet bemerkt, dan kan hij daarop het volgende jaar niet meer terugkomen.

97. inkomsten uit onroerende of roerende goederen. Voor de in § 2 bedoelde inkomsten uit grondbezit en kapitaal in portefeuille is het voorbeeld der Amsterdamsche verordening op de inkomstenbelasting van 1 Mei 1893, art. 7 le gevolgd. „Het is volkomen waar", aldus prof. Segers, „dat deze regeling hare bedenkelijke zijden heeft, dat bijv. inkomsten uit onroerende vermogen dat niet verhuurd wordt, wellicht beter wordt berekend over het gemiddelde over de drie laatste jaren genoten en dat onderscheid gemaakt zou kunnen worden tusschen renten van obligatien en dividenden van naamlooze vennootschappen. Doch, men heeft zulks niet gedaan; het voordeel, dat eene gelijke berekening voor al de hierbedoelde inkomsten bood, was te groot; het gemak dat den betrokken belastingplichtigen daardoor wordt gegeven wanneer