is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wingewest

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

Jasper prakkezeerde, als hij gedurende zijn slapelooze nachten in den vochtigen warmoestuin rondwandelde:

— Een koe, neen, een koe zullen we niet houden; zoo een dier moet te veel eten hebben... Maar een varkentje zouden we misschien wel kunnen vetten : dat komt minder duur dan er een te koopen ... En hennen, ja, ook een tiental hennen zouden we kunnen houden... En een mooien haan, die er tusschen loopt en 's morgens „Kukeluuk!" roept.

Hij meende haar warmen adem over zijn aangezicht te voelen gaan, hij omvademde de natte bessenstruiken en gaf haar allerlei zoete troetelnamen:

— Mijn wolksken! Mijn leeuweriksken! Mijn patrijsken! Mijn pepermuntjen!

Gaarne voegde hij er nog bij:

— Mocht ik later eens zeggen: mijn flamingantje!

Als hij dan weer terug in zijn bedje lag, bleef bij nog uren achtereen woelen en spartelen, hij draaide zich rond en gooide zich op den rug, bijna gelijk een jong, dartelzinnig varkentje, dat men een armvol versch stroo toegeworpen heeft.

Als hij van zijn wandeltochtjes in de tapijtzoete Kempen terugkeerde en den bakker in de naburige dorpen ontmoette, sprong hij lachend op zijn kar, gaf hem een sigaar, trakteerde hem in de herbergen en hielp hem hier en daar zelfs een krentenbrood over een dorenhaag of door een openstaande schuur binnensmokkelen, in de winningen